Studentenalmanak 1938 - pagina 175
der kunst is juist in algemeene genade nog aan de wereld ge-
schonken, opdat zij op deze wijze althans nog God zou kunnen en
mogen verheerlijken (15). De Stone-lezing gaat nog verder: zij
ontkent niet alleen het verband tuschen kerk en kunst, maar ook
van religie en kunst (133). Evenwel erkent ze met dankbaarheid
den invloed, dien het Calvinisme b.v. op de toonkunst heeft gehad
(153/155).
Dit verschil in confessie heeft niet alleen invloed gehad op den stijl
maar ook op het onderwerp der kunst, speciaal van de schilder-
kunst. Hoe komt het b.v., vraagt K., dat in Roomsche landen het
portret-schilderen, in Calvinistische daarentegen het genre-schil-
deren zoo tot bloei kwam ? Rome ontkent de algemeene genade, ziet
in het leven buiten de kerk het lagere; alles — ook de kunst •—
moet in de kerk worden ingedragen, wil het doel en nut hebben; ook
de onderwerpen moeten daartoe medehelpen: daarom liever Bijbel-
sche voorstellingen, engelenfiguren, heiligen, beschermheeren, des-
noods het devote portret, dan het genre-stuk, dat behoorde tot den
lageren zondigen kosmos (210). Het Calvinisme daarentegen, levend
uit het geloof aan een algemeene genade en de kunst uit haar ver-
klarend, koos gaarne en bij voorkeur uit het volle menschenleven
de onderwerpen voor zijn kunst. Daartoe behoort ook het kerkelijk,
breeder: het religieuze leven (217).
Deze evolutie in K.'s denken vindt men duidelijk weerspiegeld in
„De Gemeene Gratie". Daar toch zijn de bezwaren tegen kerkelijke
kunst sterk gereduceerd: men treft er al zekere waardeering aan
voor kerkelijk georiënteerde kunst en er worden alleen bezwaren
ontwikkeld tegen de eenzijdig kerkelijke kunst (84). Evenals bij de
wetenschap constateert K. ook tweeërlei kunst, die van geloovigen
en van ongeloovigen. Hij verklaart het ontstaan daarvan uit het
inspireerend beginsel, dat bij de wedergeborenen uit God is, bij de
niet-wedergeborenen uit Satan (85).
In „Pro Rege" vindt men dit nader uitgewerkt. Werd bij de tweeër-
lei wetenschap opgemerkt, dat er bij de ongeloovigen toch zooveel
„goede koppen" waren, die ook voor de Christelijke wetenschap van
veel belang zijn geweest, in ,,Pro Rege" wijst K. er op, dat van den
aanvang af de kunst zelfstandig, los van de religie, is geweest en
vooral in ongeloovige kringen zich heeft ontwikkeld. Dat is niet
alleen te danken aan de algemeene genade, die dan vooral bij niet-
geloovigen zou hebben doorgewerkt. Er is ook onderscheid tusschen
formeel schoon, dat betrekking heeft op uitwendige hulpmiddelen
en innerlijke elementen, die het schoon produceeren, en het zakelijk
schoon, dat is het Inspireerend beginsel, de geest van den kunste-
naar. Het formeele schoon is neutraal: geloovigen en ongeloovigen
werken daarin gelijkelijk. (De schrijftechniek van een Christelijken
en niet-Christelijken roman is niet verschillend; evenmin de penseel-
toets van een Christenschilder en een niet-Christensehilder; zoo
kan een niet-Christelijke kunsttheorie, ook aan een Christenkunste-
naar veel leeren). Het zakelijk schoon echter wordt beheerscht door
167
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's