Studentenalmanak 1938 - pagina 178
Deze positie-keuze van K. is van belang voor den opbouw eener
Calvinistische aesthetica. Zij' behoedt voor verafgoding van de stof,
alsof in de stof het schoon zou zijn. Zij is het eenig solide tegen-
wicht tegen den stormloop der Tachtigers, die met hun pantheïstisch
„de kunst om de kunst" wel zijn uitgeschreeuwd, maar nog lang
niet zijn uitgewerkt. Dat gaat ook in tegen de zelfoverschatting van
den kunstenaar, die heden ten dage hoogtij viert, nu men meent,
dat de kunstenaar in zich heeft een goddelijke vonk, waardoor hij
deze troostelooze aarde met zijn schoonheidsontroering kan op-
heffen. Tegenwoordig is de kunstenaar geen dienaar, maar een
leider. En men volgt hem gewillig achterna. Ik denk aan de „nieuwe
zakelijkheid", die in haar gnostisch irrationalisme verwant is met
de levensphilosophie en aan „Het derde Réveil".
Voor den Christen sta echter vast, dat de kunst en met haar de
kunstenaar, moet dienen. Omdat het schoone niet in de materie is
en de kunstenaar slechts leeft bij de gratie Gods, daarom mag de
kunst noch de kunstenaar zich verheffen en buiten de grenzen
treden. Zooals alle actie der menschheid, moet ook de kunst dienen.
De gave der kunst, zegt K., is juist in algemeene genade nog aan
de wereld geschonken (niet: komt uit de wereld, materie of idee,
op) opdat zij, op deze wijze althans nog God zou kunnen en mogen
verheerlijken.
In nauwe betrekking tot het voorgaande staat de vraag naar het
verband van natuurschoon en kunstschoon. De beteekenis van wat
Kuyper daarover opmerkte, is voor ieder duidelijk. Natuurschoon en
kunstschoon zijn niet in soort wel in graad van elkaar onder-
scheiden. Het kunstwerk is dus ook kosmisch gebonden en onder-
worpen aan Gods scheppingsordinantie.
Dr. H. Dooyeweerd wijst daar ook op als hij schrijft: „Modaal be-
schouwd is er dus (bij een kunstwerk) geen sprake van een aesthe-
tische objectiveering van de aesthetische subjectiviteit van den
kunstenaar. De aesthetische objectsfunctie van het kunstwerk is
slechts het aesthetisch afbeeldsel van een bloot intentioneel aesthe-
tisch object der kunstenaarsfantasie in de objectief-aesthetisch ge-
qualificeerde structuur van een werkelijk ding" (t. a. p. 85).
Als vanzelf kwam ook al even ter sprake de verhouding van
natuurschoon tot kunstschoon. Het is volkomen juist, wat K. op-
merkte, dat, wanneer men deze buiten het geloof om wil bepalen,
men noodzakelijk uitkomt bij het hooger dan God stellen van den
mensch.
Maar met dit speciale vraagstuk heeft K. ook het veel groo-
ter probleem aan de orde gesteld, n.l. dat van religie en kunst,
schoon is het religieuze uitgangspunt van allesbeheerschende be-
teekenis, maar bij alle vragen, die tot de aesthetica behooren, is de
religie richtinggevend. Dat blijkt ook wel uit de laatste stelling,
die K. in dit verband poneert en die hij op verschillende plaatsen
nader uitwerkt: door Zijn genade heeft God den mensch bekwaamd
het schoone voort te brengen.
170
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's