Studentenalmanak 1938 - pagina 174
c. door Zijn genade heeft God den mensch bekwaamd het schoone
voort te brengen (13).
Het is duidelijk, dat K. bij de behandeling van de verhouding van
natuurschoon tot kunstschoon, uitgaat van de gedachte, dat er ver-
band bestaat tusschen die beide. Over het waarom en het hoe van
dat verband, spreekt hij in het dictaat niet. In zijn rectorale oratie
(16) en Stone-lezing (139) wijdt hij daaraan wel eenige aandacht.
Uit het feit, dat zoowel natuurschoon als kunstschoon gaven van
God zijn, concludeert hij, „dat het natuurschoon wel in graad, maar
niet in soort van het kunstschoon is onderscheiden. Het is toch zoo,
dat de vormen en verhoudingen, die de natuur ons toont, de grond-
vormen en verhoudingen voor alle waarachtige realiteit zijn en
moeten blijven, en dat de kunst, die niet de natuur afziet en be-
luistert, maar willekeurig boven haar zweven wil, verloopt in spel
der fantasie. Deze kanting tegen het idealisme stelt echter het
empirisme niet In 't gelijk, als het meent, dat het nadoen van de
natuur de hoogste taak voor de kunst is. De roeping der kunst is
„niet enkel om het zienbare en hoorbare waar te nemen, in zich op
t e nemen en weer te geven, maar veel meer om in die verschijnselen
de orde van het schoon te ontdekken, en met die hoogere kennis
gewapend, een schoon voort te brengen, dat boven het schoon der
natuur uitgaat".
Grond voor het bestaan van kunstschoon en zijn verband met en
verhouding tot natuurschoon, is dus de belijdenis, dat God, in alge-
meene genade, den mensch bekwaamd heeft het schoone voort te
torengen. Kunst is dus een gave der gemeene gratie. Speciaal in het
dictaat-gedeelte, dat handelt over schilder- en beeldhouwkunst
werkt K. deze gedachte nader uit. Hij bespreekt daar het verschijn-
sel, dat in Roomsche landen schilder-, bouw- en beeldhouwkunst
een eigen stijl hebben en gehad hebben, wat in Calvinistische landen
niet het geval is. Heeft nu het Calvinisme daar zijn roeping niet
verstaan ?
Ja, zegt K., juist wel. Rome leerde ook, dat de tegenwoordige wereld
den zondevloek draagt; dat het goddelijk schoon dus hoogst gebrek-
kig uitkomt. Maar, leert Rome, onze kerk is het Koninkrijk der
heerlijkheid, daarin alleen is de genade Gods. En het kwam tot de
foute consequentie: in de kerk is het goddelijke, buiten de kerk
niet; in de kerk is dus het schoone, er buiten niet.
Het Calvinisme echter vroeg niet naar een eigen stijl, omdat het de
kunst niet aan de religie, nog minder aan de kerk bond. Het eischte,
dat het kunstleven vrij zou zijn. Door zijn belijdenis van gratia
communis, dat Gods genade niet binnen de kerkelijke muren was ge-
bleven, maar algemeen aan den mensch was gegeven, maakte het de
kunst vrij en bond haar niet met kerkelijke banden. Maar verachtte
haar ook niet op Doopersche wijze. Want het is Goddelijke genade,
die in den mensch werkt om het schoone voort te brengen (164).
In de rectorale oratie domineert ook deze gedachte. Scherp protest
wordt aangeteekend tegen de knellende kerkelijke banden. De gave
166
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's