Studentenalmanak 1938 - pagina 169
IETS OVER DE BETEEKENIS VAN DR A. KUYPER
VOOR DEN OPBOUW EENER CALVINISTI-
SCHE AESTHETICA
„In het algemeen kan men zeggen, dat, afgezien van enkele voor-
loopige, min of meer rijpe resultaten, het werken voor een Christe-
lijke kimst nog weinig meer tot gevolg heeft gehad, dan dat we ons
in artistieke (n) zin geen knollen voor citroenen meer laten ver-
koopen." Deze woorden schreef C. Rijnsdorp in 1932 (Ter zijde,
p. 116) en nü, vijf jaar later, zouden ze, bijna onveranderd, weer
geschreven kunnen worden. Want wel zijn we in 1933 door W. S.
Sevensma verrijkt met eenige „beschouwingen tot den opbouw eener
aesthetlca naar Christelijke beginselen", maar de schrijver zelf zegt
in het voorwoord, dat zijn boek „Schoonheid en Schijn" moet worden
gezien „als een bescheiden en uit den aard der zaak zeer onvolledige
en gebrekkige, immers eerste poging, (om de) algemeene wetten,
naar de beginselen, in Gods Woord vervat, op te sporen en vast te
stellen".
Behalve eenige essays en bovengenoemde „proeve" — in welke
publicaties evenwel zeer waardevolle elementen zijn gegeven — zijn
we, wat den opbouw eener Calvinistische aesthetica betreft, nog
bijna op hetzelfde punt als een halve eeuw geleden, toen Dr. Kuyper
zijn rectorale oratie uitsprak over „Het Calvinisme en de kunst".
Voor dien stilstand zijn wel oorzaken aan te wijzen, waarvan ik een
enkele noem.
In de eerste plaats verwachtte men van het Calvinisme geen eigen
aesthetica. Het Calvinisme — zoo heette het — en de kunst zijn
twee elkaar uitsluitende begrippen. Of: het Calvinisme is een
„geestelijk" beginsel, dat alleen beteekenis heeft voor binnenkamer
en kerk.
Maar in de tweede plaats leefde ook bij hen, die overigens het
Calvinistisch beginsel waren toegedaan, vaak — geheel ten onrechte
— de meening, als zou dat beginsel aansporen tot „mijdinge" van
het natuurlijke, dus ook van het kunst-leven.
En ten derde was de noodzakelijkheid om op andere terreinen van
het leven met eigen. Calvinistische, actie te komen zoo groot, dat de
kunst, en dus ook de aesthetica, stiefmoederlijk bleef bedeeld.
Deze drie oorzaken zijn mede de aanleiding geweest, dat Dr. Kuyper
aan het vraagstuk van Calvinisme en kunst meer speciaal zijn aan-
dacht heef gewijd. En thans, in den tijd van opkomst eener Christe-
lijke creatieve kunst, is het noodzakelijk de denkbeelden van Dr.
Kuyper over de aesthetica te bestudeeren, en te pogen vast te stellen
welke beteekenis ze hebben voor den opbouw eener Calvinistische
aesthetiek.
161
11
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's