Studentenalmanak 1938 - pagina 176
den inspireerenden geest, die uit God is of uit Satan. Dat ook daarin
nog zekere overeenstemming en wederzijdsche waardeering kan be-
staan, dat is vrucht van de algemeene genade, die in haar conser-
veerende werking het bestaan van kunst überhaupt mogelijk maakt.
De gemeene gratie maakt alleen zekere overeenstemming mogelijk,
het hoogste geeft ze niet. Dat leidt tot de ook werkelijk getrokken
consequentie, dat „het eeren van haar Schepper daarom ook voor
de kunst de hoogste wet is, die alle formeele wetten van het schoone
beheerschen moet, en het is hierom, dat alleen de religie ook de
kunst naar het doel, waartoe ze ons gegeven werd, kan terugroepen
en haar dien hoogeren adel kan verleenen, waarin haar glans
ligt" (579).
Het spreekt vanzelf, dat ik niet alles, wat K. over aesthetica heeft
gezegd, kan resumeeren. Slechts hier en daar een greep doende,
geloof ik toch U eenigszins een indruk te hebben gegeven van de
principieele lijnen, die K. heeft getrokken. Het verbaast U ieder
oogenblik, dat een man, die ook op zooveel andere terreinen zich
bewoog — en hoe?! — ook hier blijk geeft van enorme kennis en
grooten wetenschapszin. Dat legt ons allen de zware verplichting op
nauwgezet met zijn arbeid ons bezig te houden, en dien — kon het
zijn •— voort te zetten, opdat, wat hij als eisch deed hooren, eens
mee door onzen arbeid werkelijkheid worde: „Geen duimbreed is er
op heel 't erf van ons menschelijk leven, waarvan de Christus, Die
aller Souverein is, niet roept „Mijn!" "
In het laatste deel van dit artikel wil ik dan ook nagaan, welke
belang:rijke gegevens K. in zijn dictaat en andere publicaties heeft
verwerkt voor den opbouw eener Calvinistische aesthetica.
Dan valt al direct op, dat K., hoewel hij het woord rationalisme
niet noemt, toch onmiddellijk bij den opzet van zijn betoog stelling
neemt tegenover deze in zijn tijd haast alleen heerschende richting.
Heel scherp en heel concreet zegt hij: wat het schoone is, kan nooit
iemand zeggen; het schoone is niet in een denkvorm om te zetten,
het is een geheel eigen terrein; men kan de actie van het schoon wel
gadeslaan, men kan over haar denken, maar men kan niet aan haar
raken; ze is impulsief en blijft een mysterie.
Dat was een belangrijk ding in 1880. Zoo maar te zeggen, dat het
menschelijk denken alleen maar mocht nä-denken; dat het echter
volkomen incompetent was om in het schoone zelf in te dringen,
om de geheimen der kunst te ontsluieren. Wetenschap van het
schoone blijft wetenschap; ze vervangt het schoone niet, ze heft het
niet op: ze constateert, analyseert en systematiseert; dan blijft ze
wetenschap, en dan alléén.
Deze stellingkeuze van K. is ook thans van belang. Want tegen-
woordig dreigt het gevaar, dat niet de wetenschap de kunst, maar
de kunst de wetenschap gaat overvleugelen. Het irrationalisme, dat
in onzen tijd de menschen zoo heel sterk bekoort, verwijst in gnos-
tisch dualisme het analytische naar den lageren, zondigen kosmos
168
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's