Studentenalmanak 1938 - pagina 179
Het is een veel voorkomende klacht — K. zelf wijst er ook op.
De Gem. Gratie, 49; Pro Rege, 569 — dat Christenkunstenaars
meer bezig zijn met hun kunst dan met hun godsdienst; of liever:
dat ze bezig zijn met hun kunst èn met hun godsdienst. Het reli
gieuze beginsel, waarmee ze leven, is niet het levensbeginsel, waar
uit ze leven. Zou de bewering te boud zijn, dat ook K. aan die
tweeheid eenigszins schuld heeft? Heeft hij ooit onomwonden ge
zegd: gij, geloovige, zijt ook in de kunst geroepen als profeet te
getuigen, als priester te dienen, als koning te heerschen? Neen, wel
heeft hij dit gezegd: „de twee stengels (van religie en kunst), die
aanvankelijk dooreengevlochten waren en daarom van een zelfde
plant schenen te zijn, blijken dan te stoelen elk op een eigen wortel"
(Stonelezing, 133). Terwijl het andererzijds toch ook heet „dat
alleen de religie de k u n s t . . . . dien hoogeren adel kan verleenen,
waarin haar glans ligt" (Pro Rege, 3, 579).
Hoe komt het toch, dat er op dit punt zoo'n onvastheid is in K.'s
denken? Zou het niet hierdoor zijn — zie in dit verband ook Dr. K.
Schilder, Dr. Kuyper over het Calvinisme, in De Reformatie van
29 Oct. 1937, 78 — dat K. twee echtCalvinistische grondgedachten
wil systematiseeren in één voorop gestelde theorie over de ge
meens gratie?
Eenerzijds eischt K. ook voor de kunst volkomen souverelniteit in
eigen kring; ze heeft een taak in het menschenleven, maar een
eigen taak, beheerscht door en uitgevoerd volgens de eigen wetten
van den aesthetischen wetskring.
Anderzijds is voor hem de religie, het God dienen, zoo universeel
en allesbeheerschend, dat ook in het aesthetisch bezig zijn, evenals
in alle menschelijke actie. God moet worden geëerd en gediend.
Deze twee leidende gedachten nu poog^t K. te construeeren in zijn
theorie der algemeene genade, die in het geheele „natuurlijke"
menschenleven werkt, in tegenstelling met de kerk als instituut,
waarbinnen de particuliere genade is besloten. En zoolang daar nu
bijkomt het scheiden van terreinen van kerk als instituut en wereld,
overeenkomstig een scheidslijn tusschen de particuliere en alge
meene genade, zoolang zal men blijven worstelen met het pro
bleem der verhouding van persoonlijk geloof tot kunstenaarschap.
Zoodra men echter de quaestie van algemeene of bijzondere genade
verbondsgewijs gaat zien: rekent God de genade aan de mensohheid
— en aan mij in haar — toe in het gevallen verbondshoofd Adam
of in het nieuwe Verbondshoofd Christus, dan is het probleem ver
dwenen en ook het dualisme is weg. Dan blijft ieder kunstenaar een
kunstenaar bij de gratie Gods, maar de Christgeloovige om de
schuldvergevende genade in Christus, de ongeloovige om de opschor
tende gunst in Adam. Dan pas kunnen we den Christenkunstenaar
den absoluten eisch stellen van het „Christen zijn, ook in zijn kunst".
Want dan moet zijn religieus beginsel ook lévensbeginsel zijn. „Ook
op kunstgebied zij het niet de Geest des Heeren naast, maar de
Geest des Heeren in het leven" (De Gem. Gratie, 3, 86).
171
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's