Studentenalmanak 1938 - pagina 177
en acht den aesthetischen wetskring als behoorend tot het hoogere
deel, kent aan de kunst hooger waarde toe dan aan de wetenschap.
Kunst is niet hooger dan wetenschap, maar ook is wetenschap
niet meerder dan kunst. Die probleemstelling is valsch. Beide
hebben hun eigen waarde, omdat beide zelfstandige zinzijden der
werkelijkheid zijn. Dan zal ook de kunst te rade gaan bij de aesthe-
tica, omdat zij het nä-denkend verstand niet kan missen; en de
wetenschap zal behoedzaam de kunst observeeren, haar bevoegdheid
niet overschrijdend.
In de tweede plaats is van belang K.'s beantwoording van de vraag,
waar of het schoon is. Hij wijst af de stelling, alsof het in het
object zou zijn. Ook alsof het in de idee van den bewerker zich zou
bevinden. Het schoon is een ideale macht boven den bewerker en
boven de stof. Dit antwoord hangt samen met den aard van het
schoon, dat in de kunst zich openbaart. Kunst is maar niet een
reproductie geven van de schoonheid, die in de schepping is. Zeg het
Christelijk: een gezuiverde reproductie, omdat het natuurschoon is
„gebroken". Kunst is nieuwe schoonheid brengen. Dat nieuwe, dat
nooit geziene en tot nog toe niet aanwezige, die drang tot samen-
voegen van reeds bestaande elementen of tot ombouwing van reeds
voorhanden materie, komt niet uit het object, ook niet uit het
subject, maar het is de „ideale macht boven ons èn boven het
instrument". „God zelf inspireert de hooge genieën ook op het ge-
bied der kunst. Hij doet hen een schoon zien en doorleven in hun
geest, dat meer is dan de wereld bieden kan, en dat, uit hun ver-
beelding naar buiten uitgedragen de wereld verrijkt, de ingewijden
verrukt, en aan ons menschelijk leven iets toebrengt, dat het zonder
dit kunstvermogen nooit zou hebben bezeten." (De Gemeene Gratie,
3, 69).
Uitgaande van dezelfde grondgedachte komt Dr. H. Dooyeweerd,
in zijn bespreking van het sculpturale kunstwerk, tot gelijk resul-
taat, waar hij zegt: ,,Het objectief zinnelijk waamemingsbeeld in
het marmerbeeld is natuurlijk in geen geval een eenvoudige copie
van het objectief zinnelijk waamemingsbeeld in het levend model.
Want het menschelijk lichaam, hoezeer het een individueele aesthe-
tlsche zin-zijde heeft, is toch niet aesthetisch gequalificeerd, het is
niet zelve in den eigenlijken zin des woords een kunstwerk, dat een
aesthetische bestemmingsfunctie heeft." (De Wijsbegeerte der Wets-
idee, 3, 81.) En verder: „Het is dus niet zoo, dat (de beschouwer van
het kunstwerk) wel het werkeUjke ding ervaart maar alleen
„de aesthetische idee" niet vat, welke erin is verzinnelijkt. Want
liet werkelijk ding is hier het kunstwerk zelve. Een natuurding is
als zoodanig in zijn structuur niet gegeven. Geabstraheerd van zijn
onvergelijkelijke aesthetisch gequalificeerde structuur bestaat het
beeld niet werkelijk. De bedoelde beschouwer ziet eenvoudig het
werkelijk kunstwerk voor de copie van een mooi natuurding aan en
heeft dus een onware een valsche ervaring van zijn werkelijkheid"
(t. a. p. 83).
169
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's