Studentenalmanak 1938 - pagina 172
systeem van Dr. Kuyper memoreerde, in het geheel niet kan be-
schouwd worden als een algemeen overzicht van zijn wetenschaps-
leer. Het was ook slechts mijn bedoeling Uw aandacht te vragen
speciaal voor die gedachten, die ons kunnen helpen bij het samen-
voegen en ordenen van de verschillende gegevens, die door K. over
de aesthetica zijn gezegd en geschreven.
Die gegevens liggen wel voor het grootste gedeelte opgetast in het
college-dictaat over aesthetica. Dit dictaat, dat getypt in slechts
enkele exemparen voortbestaat, biedt, behalve een uiteenzetting van
de grondbeginselen der aesthetica speciaal van Calvinistisch stand-
punt uit, ook een schat van gegevens over de verschillende soorten
kunst, en in die kunsten weer van verschillende richtingen en stroo-
mingen. Door de welwillendheid van Ds. S. G. de Graaf was ik in
de gelegenheid kennis te nemen van dit dictaat, dat uiteraard vrij
moeilijk is te bemachtigen. Dat ik in dit artikel niet meer dan een
enkele hoofdgedachte er uit kan behandelen, spreekt wel vanzelf.
Tamelijk wel overeenstemmend met het dictaat, in voorbeelden en
indeeling vaak woordelijk overeenkomend, is de rectorale oratie van
1888 over ,,Het Calvinisme en de kunst". In iets breeder verband
ziet de Stone-lezing van 1898 het probleem van Calvinisme en kunst,
waar ze onder denzelfden titel er over handelt. Ook in het supple-
ment op het 3e deel van „De Gemeene Gratie" (1905) vindt men
een reeks hoofdstukken aan de kunst gewijd, terwijl tenslotte in
het 3e deel van „Pro Rege" (1912) de gedachte van ,,De Gemeene
Gratie" wordt uitgewerkt en zelfs eenigszins omgebogen.
Als grondslag voor mijn verhandeling neem ik het liefst het dictaat
over Aesthetica. Ben bezwaar daarvan is natuurlijk, dat verificatie
voor anderen bijkans onmogelijk wordt. De rectorale oratie echter,
die veelal gelflken inhoud heeft, behoedt me voor te vrije weergave.
Dat ik liever het dictaat dan deze oratie tot uitgangspunt neem,
vindt zijn oorzaak in het feit, dat het dictaat meer uitgewerkt is
en dat aan de allereerste grondvragen meer aandacht kan worden
besteed, dan in een rectorale oratie mogelijk was.
De aesthetica —• aldus K. In zijn dictaat — kan men de wetenschap
noemen, die zich met het schoone bezig houdt, met het schoone als
norma, een beginsel, dat tot regel dient. Wat het schoone is, kan
nooit iemand zeggen. De wereld van het schoone kan nooit in een
denkvorm worden omgezet, evenmin als b.v. de wereld der religie.
Dat zijn twee terreinen met eigen genre. De wereld van het zedelijk
leven in ons b.v. is ook voor ontleding niet vatbaar. Maar voor ons
bewustzijn hebben we wel toegang tot die werelden. Al kunnen we
het niet omschrijven: we voelen onmiddellijk of iets recht of on-
recht, heilig of zondig is. Zoo voelen wij ook, dat een aandoening
of uiterlijk verschijnen schoon of weerzinwekkend is. Het geheim
bestaat dus niet voor onzen persoon, wel voor ons denken. (3).
Waarom dan toch nog over aesthetica gesproken? Dat is toch de
wétenschap van het schoone? Zeker, maar ons denken kan wel de
wereld van het schoone, het zedelijke en het religieuze uitwending
164
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1938
Studentenalmanak | 226 Pagina's