Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1942 - pagina 154

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1942 - pagina 154

2 minuten leestijd

gaat deze depressie dikwijls van schuldbewustzijn verge-

zeld. Juist aan het einde van de adolescentie dreigt daar-

door een disharmonie te ontstaan in de psychische huis-

houding. Want dit schuldbewustzijn kan uitdrijven tot

gebed en de levenslust doen terugkeeren, maar het kan

ook zijn, dat soortgelijke ervaringen zich herhalen en in

verlatenheid de jonge man of vrouw zich aan twijfel en

ongeloof overgeeft. Deze crisis is veel ernstiger dan het

vragen en zoeken in het begin der puberteit.

Uitgegroeid uit de kinderlijke periode van onvoorwaar-

delijk gelooven, wordt feitelijk heel de puberteit geken-

merkt door onzekerheid. Maar de twijfel in de eerste helft

van de rijping is by na nooit zóó radicaal als daarna. In

de praepuberteitsperiode, in de binding aan de ouders

geeft het kind zich onvoorwaardelijk aan de ouders, het

gelooft, wat moeder zegt, het weet de dingen, zooals

moeder ze weet. Gelooven en weten zijn één. Dit wordt

stuk geslagen in de puberteit; het komt voorloopig niet

terug. De kinderlijke attitude is verdwenen. Maar wel is

er dan nog sprake van „religie", de puber zoekt nieuive

relaties, heeft behoefte aan vertrouwen, kent ,,schlecht-

hingig Abhängigkeitsgefühl", echter geen godsdienst,

geen moraal als objectief geestelijk goed. In de Bühler-

literatuur vindt men daarvan mooie voorbeelden vermeld.

Zich bezighoudend met de vraag: „is er wel een God" en

hoe is de verhouding tusschen „weten en geloof", vindt

men daaromtrent in dagboeken o.a. het volgende:

„Ich brauche einen Gott, ich brauche ihn wie das täg-

liche Brot. Und ich sehne mich unbeschreiblich danach

ihn kennen zu lernen".

„Der innigste Wunsch-meines-Herzen ist, dasz es einen

Gott gibt, aber mein Denken widerspricht dem".

„Gott", sage ich plötzlich und will doch Monist sein. Ja,

ich bin Monist, Materialist, aber eigentlich nur dem Wort

nach — innerlich musz ich an Gott glauben".

Altijd gaat het in deze jaren om de verhouding tusschen

weten en gelooven en over het verlangen naar een God,

Die als een machtige Vader beschermt. Deze tijd kan

148

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1942

Studentenalmanak | 266 Pagina's

Studentenalmanak 1942 - pagina 154

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1942

Studentenalmanak | 266 Pagina's