Studentenalmanak 1949 - pagina 221
De zwarte vlerken van de nacht
wiekten onhoorbaar over de aarde
en wat de dag aan logica nog spaarde
hebben zij duister omgebracht.
Nu wast het leven als een vloed,
onhoudbaar — onbedwongen door de dijken
die slapende en allang aangevreten blijken
— O, water dat de akkers onderlopen doet—.
Nu rijst het peilglas van het bloed
Nu word ik als een tol de draaikolk ingezogen;
tonelen, beelden flitsen langs mijn ogen:
Ik ben een drenkeling die drinken moet.
Maar bij het grauwe gloren van de dag
is het tomeloze in zichzelf teruggeweken;
op het beëbde strand hebben de meeuwen rondgekeken
naar 't dode aas: de resten van 't gelag.
H. M. K.
!
201
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949
Studentenalmanak | 254 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1949
Studentenalmanak | 254 Pagina's