Studentenalmanak 1951 - pagina 233
van omgangsbetrekkingen en taalvormen, een bijzondere econo-
mische gemeenschapskring betrokken op het specifieke familie-
goed, waaraan zich een zgn. pretium affectionis hecht (men denke
aan familieportretten, -sieraden, -wapens, brievenverzamelingen
enz.) en een interne kring van familierechtelijke verhoudingen.
En zij is eerst gequalificeerd als een morele liefdesgemeenschap
van typisch karakter, die bijzondere morele plichten tussen de
familieleden schept, wel onderscheiden van de algemene plichten
der naastenliefde.
De wezenlijke familiegemeenschap heeft m.a.w., evenals iedere
andere tijdelijke sociale levenskring, een intern structuurprincipe,
dat haar innerlijke eigenaard bepaalt, evengoed als de beide an-
dere hierboven gesignaleerde natuurlijke gemeenschappen: huwe-
lijk en gezin.
En zolang men dit interne structuurprincipe en de daardoor be-
paalde eigengeaardheid dezer gemeenschappen in het oog houdt,
bestaat geen gevaar voor een uitzetting van het begrip natuurlijke
gemeenschap buiten zijn natuurlijke grenzen.
De overspanning van dit begrip is te allen tijde kenmerkend ge-
weest voor de zgn. universalistische beschouwing van de mense-
lijke samenleving, die zich als een typische reactie op de indivi-
dualistische visie openbaart. Terwijl de laatste alle sociale collec-
tiviteiten tot verzamelingen van enkelingen tracht te herleiden en
iedere samenlevingsverhouding als een uitwendige maatschappe-
lijke betrekking of complex van elementaire sociale betrekkingen
tussen zelfstandige individuen meent te kunnen construeren, zoekt
het universalisme juist omgekeerd de samenleving in het schema
van een organisch geheel met delen of leden te vatten, waarbij het
geheel dan als een boven-individuele eenheid, als een intrinsieke
totaal-gemeenschap wordt gezien, die meer is dan de som harer
leden.
Dit sociologisch universalisme behoeft niet perse samen te gaan
met een ontologisch en axiologisch.
Aristoteles en Thomas v. Aquino waren beiden universalist in de
eerstgenoemde zin, maar in hun ontologie of werkelijkheidsleer
waren zij individualist, inzoverre zij alleen de natuurlijke indivi-
duen als zelfstandige wezens of substanties lieten gelden, terwijl
zij aan de sociale betrekkingen slechts een accidenteel of bijkom-
stig werkelijkheidskarakter toekenden.
217
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951
Studentenalmanak | 298 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951
Studentenalmanak | 298 Pagina's