Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1951 - pagina 234

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1951 - pagina 234

2 minuten leestijd

En ook in axiologische zin dient bij hen de totaal-gemeenschap of

societas perfecta slechts tot de vorm-volmaking van de enkeling,

is dus het individu er niet ter wille van de gemeenschap, maar

omgekeerd de gemeenschap ter wille van het individu.

In sociologische zin daarentegen zijn beiden de universalistische

opvatting toegedaan, dat de staat als natuurlijke totaalgemeen-

schap alle andere natuurlijke levenskringen en de enkelingen als

leden omvat en dat hij in de sociale verhoudingen logisch eerder

is dan het individu, omdat de enkeling eerst in en door de staat

zijn natuurlijke volmaking kan bereiken.

In hun sociologisch universalisme zien wij dus de al-omvattende

gemeenschap als een natuurlijke gekwalificeerd. De staat als

societas perfecta is in de redelijk-sociale natuur van de mens ge-

grond, omdat hij de hoogste en alomvattende openbaring is van

's mensen natuurlijk-sociale aanleg, die zich trapsgewijze ontplooit

in de vorming van lagere en hogere gemeenschappen, en eerst in

de staat zijn afsluiting vindt. Onder de natuurlijke gemeenschap-

pen vinden wij hier dan de volgende hiërarchische ordening: op

de laagste trap staat de huisgemeenschap, omvattend de drieledige

betrekkingen tussen de echtgenoten, die tussen de ouders en

kinderen, en die tussen heer en slaven. Op de middelste trap staat

de dorpsgemeenschap en aan de top de polis of stadsstaat als

autarke of volmaakte gemeenschap.

Hoe kwam men er toe deze drie gemeenschappen als „natuurlijke"

te vatten, terwijl ze toch in werkelijkheid een radicaal structuur-

verschil met de wezenlijk natuurlijke vertonen?

Dit is alleen te verklaren uit de Griekse conceptie van de natuur.

Gelijk ik in de eerste band van mijn Reformatie en Scholastiek in

de Wijsbegeerte heb aangetoond, werd deze laatste van meetaf be-

heerst door een dialectisch religieus grondmotief, dat het geloof

in een Goddelijke scheppingswerkzaamheid in Schriftuurlijke zin

uitsloot, nl. het motief van vorm en materie.

Het vorm-motief was de diepste drijfveer in de jongere cultuur-

religie der Olympische goden, de goden van vorm, maat en har-

monie. Het materiemotief was de diepste beweeggrond der oudere,

voor-Homerische natuur-religies, waarin de godheid vormloos en

maatloos werd gevat als openbaring van de eeuwig vloeiende

stroom des levens. Terwijl de Grieken in hun privaat leven aan

de natuur-religies van de vorm-loze goden van leven en dood vast-

218

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951

Studentenalmanak | 298 Pagina's

Studentenalmanak 1951 - pagina 234

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951

Studentenalmanak | 298 Pagina's