Studentenalmanak 1951 - pagina 234
En ook in axiologische zin dient bij hen de totaal-gemeenschap of
societas perfecta slechts tot de vorm-volmaking van de enkeling,
is dus het individu er niet ter wille van de gemeenschap, maar
omgekeerd de gemeenschap ter wille van het individu.
In sociologische zin daarentegen zijn beiden de universalistische
opvatting toegedaan, dat de staat als natuurlijke totaalgemeen-
schap alle andere natuurlijke levenskringen en de enkelingen als
leden omvat en dat hij in de sociale verhoudingen logisch eerder
is dan het individu, omdat de enkeling eerst in en door de staat
zijn natuurlijke volmaking kan bereiken.
In hun sociologisch universalisme zien wij dus de al-omvattende
gemeenschap als een natuurlijke gekwalificeerd. De staat als
societas perfecta is in de redelijk-sociale natuur van de mens ge-
grond, omdat hij de hoogste en alomvattende openbaring is van
's mensen natuurlijk-sociale aanleg, die zich trapsgewijze ontplooit
in de vorming van lagere en hogere gemeenschappen, en eerst in
de staat zijn afsluiting vindt. Onder de natuurlijke gemeenschap-
pen vinden wij hier dan de volgende hiërarchische ordening: op
de laagste trap staat de huisgemeenschap, omvattend de drieledige
betrekkingen tussen de echtgenoten, die tussen de ouders en
kinderen, en die tussen heer en slaven. Op de middelste trap staat
de dorpsgemeenschap en aan de top de polis of stadsstaat als
autarke of volmaakte gemeenschap.
Hoe kwam men er toe deze drie gemeenschappen als „natuurlijke"
te vatten, terwijl ze toch in werkelijkheid een radicaal structuur-
verschil met de wezenlijk natuurlijke vertonen?
Dit is alleen te verklaren uit de Griekse conceptie van de natuur.
Gelijk ik in de eerste band van mijn Reformatie en Scholastiek in
de Wijsbegeerte heb aangetoond, werd deze laatste van meetaf be-
heerst door een dialectisch religieus grondmotief, dat het geloof
in een Goddelijke scheppingswerkzaamheid in Schriftuurlijke zin
uitsloot, nl. het motief van vorm en materie.
Het vorm-motief was de diepste drijfveer in de jongere cultuur-
religie der Olympische goden, de goden van vorm, maat en har-
monie. Het materiemotief was de diepste beweeggrond der oudere,
voor-Homerische natuur-religies, waarin de godheid vormloos en
maatloos werd gevat als openbaring van de eeuwig vloeiende
stroom des levens. Terwijl de Grieken in hun privaat leven aan
de natuur-religies van de vorm-loze goden van leven en dood vast-
218
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951
Studentenalmanak | 298 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951
Studentenalmanak | 298 Pagina's