Studentenalmanak 1951 - pagina 240
De „natuur", gelijk ons die door de mathematische natuurweten-
schap wordt onthuld, is volgens hem slechts een werkelijkheid, die
door het menselijk bewustzijn zelve met behulp van zijn logische
denkvormen of categorieën wordt opgebouwd uit een chaotipch
materiaal van zinnelijke indrukken, die het bewustzijn in de zgn.
aanschouwingsvormen van tijd en ruimte ontvangt. Over de werke-
lijkheid, gelijk ze „in zich zelve", buiten de menselijke bewustzijns-
vormen, is, kan ons de natuurwetenschap niets leren. De laatste
blijft gebonden aan de ervaring van zinnelijke verschijnselen.
Het boven-zinnelijk rijk der menselijke vrijheid, waai in de mense-
lijke persoonlijkheid zich zelve autonoom haar gedragsnormen stelt,
onttrekt zich principieel aan de gelding van de natuurwetenschappe-
lijke causaliteitswet, die slechts voor de zinnelijke verschijnselen
geldt. De menselijke vrijheid is geen zaak van wetenschappelijk
bewijs, maar van redelijk geloof.
De door Kant tussen wetenschap en geloof gestelde kloof was dus
niets anders dan de doorwerking van het dualisme in het verborgen
religieuze grondmotief van zijn denken, dat tussen „natuur" en
„vrijheid".
Intussen bleef in Kants opvatting van de vrije menselijke persoon-
lijkheid nog de invloed merkbaar van het rationalistisch individua-
lisme der Verlichtingsperiode.
In zijn idee van de autonomie is het ware autos, d.i. de ware
zelfheid en persoonlijkheid van de mens, slechts te kennen uit de
nomas, d.i. de algemeen-geldige zedewet, die de mens zichzelf in
zijn eigen ethische wil stelt. Zoals de klassieke natuurkunde alle
individualiteit in de natuurverschijnselen poogde op te lossen in
algemene wetmatige relaties, zo had voor Kant op ethisch terrein
de individuele aanleg en roeping der menselijke persoonlijkheid
geen enkele betekenis.
De individuele persoonlijkheden bleven voor hem individualiteits-
loze „individuen", exemplarische gevallen van de gelding der alge-
mene zedewet. Juist daarom bleef hij ook in de individualistische
natuurrechtelijke opvatting van de samenleving steken. Zo defini-
eerde hij de staat als „eine Menge von Menschen unter Rechts-
gesetze".
Een wezenlijke gemeenschapsidee zoekt men bij hem tevergeefs.
In de Romantiek en het na-Kantiaanse vrijheids-idealisme ontstaat
nu een polaire reactie tegen deze individualistische en rationalis-
tische opvatting.
224
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951
Studentenalmanak | 298 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951
Studentenalmanak | 298 Pagina's