Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1951 - pagina 240

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1951 - pagina 240

2 minuten leestijd

De „natuur", gelijk ons die door de mathematische natuurweten-

schap wordt onthuld, is volgens hem slechts een werkelijkheid, die

door het menselijk bewustzijn zelve met behulp van zijn logische

denkvormen of categorieën wordt opgebouwd uit een chaotipch

materiaal van zinnelijke indrukken, die het bewustzijn in de zgn.

aanschouwingsvormen van tijd en ruimte ontvangt. Over de werke-

lijkheid, gelijk ze „in zich zelve", buiten de menselijke bewustzijns-

vormen, is, kan ons de natuurwetenschap niets leren. De laatste

blijft gebonden aan de ervaring van zinnelijke verschijnselen.

Het boven-zinnelijk rijk der menselijke vrijheid, waai in de mense-

lijke persoonlijkheid zich zelve autonoom haar gedragsnormen stelt,

onttrekt zich principieel aan de gelding van de natuurwetenschappe-

lijke causaliteitswet, die slechts voor de zinnelijke verschijnselen

geldt. De menselijke vrijheid is geen zaak van wetenschappelijk

bewijs, maar van redelijk geloof.

De door Kant tussen wetenschap en geloof gestelde kloof was dus

niets anders dan de doorwerking van het dualisme in het verborgen

religieuze grondmotief van zijn denken, dat tussen „natuur" en

„vrijheid".

Intussen bleef in Kants opvatting van de vrije menselijke persoon-

lijkheid nog de invloed merkbaar van het rationalistisch individua-

lisme der Verlichtingsperiode.

In zijn idee van de autonomie is het ware autos, d.i. de ware

zelfheid en persoonlijkheid van de mens, slechts te kennen uit de

nomas, d.i. de algemeen-geldige zedewet, die de mens zichzelf in

zijn eigen ethische wil stelt. Zoals de klassieke natuurkunde alle

individualiteit in de natuurverschijnselen poogde op te lossen in

algemene wetmatige relaties, zo had voor Kant op ethisch terrein

de individuele aanleg en roeping der menselijke persoonlijkheid

geen enkele betekenis.

De individuele persoonlijkheden bleven voor hem individualiteits-

loze „individuen", exemplarische gevallen van de gelding der alge-

mene zedewet. Juist daarom bleef hij ook in de individualistische

natuurrechtelijke opvatting van de samenleving steken. Zo defini-

eerde hij de staat als „eine Menge von Menschen unter Rechts-

gesetze".

Een wezenlijke gemeenschapsidee zoekt men bij hem tevergeefs.

In de Romantiek en het na-Kantiaanse vrijheids-idealisme ontstaat

nu een polaire reactie tegen deze individualistische en rationalis-

tische opvatting.

224

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951

Studentenalmanak | 298 Pagina's

Studentenalmanak 1951 - pagina 240

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951

Studentenalmanak | 298 Pagina's