Studentenalmanak 1951 - pagina 235
hidden, omdat de stralende Olympische goden geen macht over
het doodslot hadden, werd de Griekse polis of stadsstaat de drager
van de cultuur-religie als de officiële staatsgodsdienst.
In de Griekse natuurbeschouwing dongen de antagonistische
grondmotieven dezer beide religies om de voorrang. Zolang in de
oude Ionische natuurphilosophie het materie-motief de overhand
had en de goddelijke Archè of oorsprong aller dingen gezocht
werd in de eeuwig vloeiende stroom des levens, werd de ware
natuur der dingen ook alleen in het proces van ontstaan uit en
terugkeer in de vorm-loze levensstroom gezien.
De physis werd gevat als het proces van het phuèsthai. Zodra
echter het vorm-motief de overhand in het denken verkreeg, ging
men de ware natuur der dingen zoeken in hun constante wezens-
vorm, waarop het ontwikkelingsproces hunner materie gericht is.
En daar nu, gelijk we zagen, de Griekse polis de draagster der
cultuur-religie en van het daarin belichaamde vormmotief was,
is het geen wonder, dat men aan de stadsstaat de taak toekende
de menselijke natuur tot haar vorm-volmaking te brengen.
Hiermede hing samen de typisch Griekse opvatting, dat hij, die
buiten de Griekse polis stond, een „barbaros" was, die in de on-
gebonden wildheid van het materieprincipe bevangen was ge-
bleven. Die opvatting vond haar praegnante uitdrukking in
Aristoteles' uitspraak, dat hij, die buiten de polis leeft, óf een
godheid of een dier moet zijn.
Het was ook alleen de centrale religieuze betekenis der polis in
het leven van de Griek, die aan de universalistische opvatting van
de stadsstaat als natuurlijke totaal-gemeenschap van de volle
menselijke samenleving ten grondslag lag. Wanneer de godheid
als „zuivere vorm" werd gevat en de menselijke natuur als een
compositum van vorm en materie, waarin de vorm het centraal-
wezenlijke van het mens-zijn bepaalt, dan kon ook de Griekse
polis, die door haar paideia, haar religieus-culturele vorming, de
menselijke natuur eerst tot volle volmaking kon brengen, slechts
als een natuurlijke gemeenschap worden beschouwd.
Thomas van Aquino nam deze Aristotelische opvatting over, doch
trachtte haar in typisch scholastische zin aan te passen aan de
Roomse kerkleer.
Het ging hier in de grond der zaak om een poging tot religieuze
synthese tusseij het Griekse vorm-materiemotief en het grondmotief
219
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951
Studentenalmanak | 298 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951
Studentenalmanak | 298 Pagina's