Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1951 - pagina 241

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1951 - pagina 241

2 minuten leestijd

Tegen de individualistische conceptie van het Humanistisch per-

soonlij kheidsideaal wordt een universalistische gesteld: Tegen de

verabsolutering van het individu keert zich de verabsolutering van

de gemeenschap. En tegen de rationalistische poging de individuali-

teit van het subject in algemene wetten op te lossen wendt zich

nu een irrationalistische opvatting van de vrije en autonome per-

soonlijkheid: men tracht thans de wet te herleiden tot een onzelf-

standige uiting van de individuele aanleg. De nomos, de gedrags-

regel, wordt een reflex van de individualiteit van het autos.

Reeds de vroeg-Romantiek dreef de spot met Kants „burgerlijke

wetsmoraal" en stelde daar de „geniale moraal" tegenover, die

uiteraard tot anarchistische consequenties moest leiden. Deze con-

sequenties waren op het irrationalistisch standpunt alleen te ont-

gaan, door de individuele enkeling slechts als lid van een gemeen-

schap te vatten, welker autonome ordeningswil met zijn eigen

individuele natuur in overeenstemming zou zijn.

De Historische School leerde, dat de gehele cultuur van een volk

het historisch product is van de individuele volksaard en dat de

volksgemeenschap en haar politische organisatievorm: de staat

natuurlijke gemeenschappen zijn, die door de mens niet gemaakt

worden, maar „naturwüchsig" als organisch voortbrengsel van de

zgn. „volksgeest" zich ontwikkelen. In deze gemeenschappen is de

individuele mens geboren en ingegroeid en alle andere gemeen-

schappen, (gezin, familie, verenigingswezen, kerk, bedrijf, enz.)

zijn slechts als delen van het nationale volksgeheel te vatten. De

volksgemeenschap als totaal-gemeenschap is volgens de Germanisti-

sche vleugel der Historische School een „gegliederte Gemeinschaft"

met een eigen individuele persoonlijkheid.

Deze irrationalistische universalistische opvatting kon dan weer

worden uitgebouwd tot de idee van een natuurlijke gemeenschap der

volkeren, als basis voor het volkenrecht. (Zo ven SAVIGNY, de

grondlegger der bedoelde school.)

Met nadruk merk ik op, dat aan deze nieuwe conceptie van de

natuurlijke gemeenschap een historistisch werkelijkheidsbeeld ten

grondslag lag, dat door zijn verabsolutering van het historisch

aspect der samenleving weer geen plaats had voor constante

structuurprincipes, die de innerlijke aard der sociale levenskringen

bepalen.

Een bijzonder acuut gevaar school op dit standpunt in de theorie

225

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951

Studentenalmanak | 298 Pagina's

Studentenalmanak 1951 - pagina 241

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951

Studentenalmanak | 298 Pagina's