Studentenalmanak 1951 - pagina 249
DER UNTERGANG DES ABENLANDES
Zwaar dreunen de salvo's van bloed en ellende
En droef pijpt de hoop er zijn lied tussendoor:
De mensheid, die niemand als broeder meer kende.
Gaat hulploos in angst en in leegheid teloor.
Verschrikking en dood zijn nu koning op aarde,
De mens legt, verwezen, zich neer bij hun macht
En hij die nog liefde en schoonheid bewaarde
Staat eenzaam op post als een wacht in de nacht.
De nacht heeft geen einde, maar wordt meer verduisterd.
De kind'ren geboren in 't bed van de haat
Zijn, nog in stilte der moeder gekluisterd,
Reeds zwart door de knelling van nood en van kwaad.
En drachtige wolken reeds donkerder dreigen.
Verzwarende zwijgt nog het zwoelende zwerk.
De stilte der storm kan, verstikkend, nog stijgen.
Zij wachten op barsting van 't wordende werk.
Het einde zal komen, het nimmer gekende.
De hoop pijpt er dan niet zijn lied tussendoor;
Hoor 't dreunen der salvo's van bloed en ellende.
De mens gaat in haat en in leegheid teloor.
A. B.
233
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951
Studentenalmanak | 298 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1951
Studentenalmanak | 298 Pagina's