Studentenalmanak 1952 - pagina 232
Maar bij het witte marmer van zijn graf
leg ik, Pandrosune, een rode roos,
uit vriendschap, want mijn liefde is zo broos
en kort van duur, dat ik haar niemand gaf.
Aristos
Vertel mij, of dit leven is:
Ik werk. Ik offer aan de goden.
Ik houd hun regels, hun geboden.
Ik weet, wat naastenliefde is.
Mijn vader heeft mij dit geleerd,
zoals hij vroeger zelf mocht horen.
En wordt ook mij een zoon geboren,
dezelfde les wordt hem geleerd.
Men offert Zeus een krachtig rund,
Ares een hond, een pauw aan Hera.
Maar wie toont in die goden-aera
het al-verklarend middelpunt?
Want zonder dit rest ons een schim,
luchtspiegeling van vage schepen.
Men ziet. Men kent. 't Beeld wordt begrepen.
Maar dan verzinkt het aan de kim.
Doen wij het goede om het goed?
Doorbreek de vicieuse kringen,
Athena, die ons steeds omringen.
Ik dwaal. Richt gij mijn zwerversvoet.
Ik dwaal. Gij richt. Armzalig spel.
Is dit de kenbron van het leven?
De godheid heeft ons wijn gegeven.
Vermoei u niet, mijn vriend. Vertel
uw bruid de vreugde van de nacht,
uw kind de vreugde van de dagen.
En stoor u niet aan dwaze vragen:
Het wild is snel. Staak deze jacht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Studentenalmanak | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Studentenalmanak | 292 Pagina's