Studentenalmanak 1952 - pagina 229
vier „jaren": wie langer als actief Corpslid meeleven, zijn — de
soms zeer gunstige uitzonderingen daargelaten — niet altijd de
besten. Wil men dus de basis voor de ervaring inzake novitiaats
tijden in het verleden behoorlijk verbreeden, dan zal men met
oudere generaties overleg hebben te plegen en mede de Reunisten
organisatie moeten inschakelen. Dat bij S.S.R. het novitiaat in
belangrijk mindere mate dan bij N.D.D.D. tot klachten aanleiding
geeft, meen ik dan ook ten deele te moeten toeschrijven aan het
feit, dat het contact, dat de Unie met hare Reunistenorganisatie
onderhoudt, een veel sterker is dan bij ons.
Intusschen verwaarlooze men ook de ervaring van het jongste
verleden niet. Zoo zij men in een periode gedurende welke niet
alleen in de studentenwereld, maar ook in de nietuniversitaire
wereld de drinkgewoonten toenemen, op bijzondere maatregelen
tegen dit euvel bedacht. Ook wane men niet, dat, nu het probleem
van het dispuutsnihilisme is weggewerkt, de onderlinge verhoudin
gen tusschen de disputen geen aandacht meer verdienen: de hier
noodzakelijke en zelfs wenschelijke rivaliteit mag niet ontaarden;
een quaestie, die vooral bij de eerlijkheid in de „verdeeling" der
novieten aan de orde komt.
Een zeer voornaam punt bij dit alles is de band aan de basis van
het Corps. De grondslag dient te worden gehandhaafd, èn bij
beslissing van wie al of niet mogen toetreden, èn bij het opstellen
van een regeling voor het novitiaat. Juist hier liggen de moeilijk
heden voor het contact met de disputen buiten N.D.D.D., die,
voorzoover zij, evenals het Corps, op denzelfden grondslag als onze
Universiteit staan, zoo spoedig mogelijk met het Corps behooren
samen te smelten.
Ook afgezien van dit toekomstideaal, dient het Corps, dat het
terecht op prijs stelt „het Studentencorps aan de Vrije Universiteit"
te heeten, ernst te maken met zijn grondslag. Dan zal de regeling
en de practijk van het novitiaat vanzelf strooken met de eischen
door den Senaat der Vrije Universiteit aan het leven der studenten
gesteld en is het rekening houden met de reputatie der V.U. niet een
afzonderlijk iets. Want ook de Universiteit beoogt niet slechts
het doceeren en ontwikkelen van Christelijke wetenschap, maar
levens „de bevordering der godzaligheid in den lande".
Dat ook het Corps iets dergelijks bedoelt na te streven, blijkt uit
zijn zinspreuk „Nil Desperandum Deo Duce". Dezen tot een holle
leus te degradeeren, is in strijd met het karakter der jongeren
generatie, die niets zoozeer verafschuwt als F arizeisme. Maar af
205
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Studentenalmanak | 292 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1952
Studentenalmanak | 292 Pagina's