Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1954 - pagina 264

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1954 - pagina 264

2 minuten leestijd

Dat de vliegende vis, Exocoetus, een extreem laag S.G. heeft zal nie-

mand verbazen!

Bij vogels, welke veel op het water drijven is het S.G. laag, zo is het

b.v. bij zwanen en eenden ± 0.5—0.6. Dit wordt bereikt door een

grote hoeveelheid lucht tussen de veren, en een sterke pneumati-

satie van de beenderen.

Bij vogels, die kunnen duiken is het S.G. opvallend hoger dan bij de

eerstgenoemden. Bij hen is de pneumatisatie van de beenderen dan

ook zeer gering; bij de aalscholver ontbreekt deze zelfs vrijwel ge-

heel. De mogelijkheid van het duiken begint wanneer het S.G. stijgt

boven ± 0.75. Soortelijk het zwaarst zijn de futen en de duikers, j

welke geruimen tijd onder water kunnen blijven, maar wel in het

bijzonder de pinguïns (S.G. 0.98). Bij deze vogels is het verenkleed

ook compacter, terwijl zij bovendien in staat zijn de veren dichter

tegen de huid te drukken en hun luchtzakken goeddeels leeg te per-

sen. Ook bezitten zij een dikke vetlaag.

Bij de speciaal op het vliegen ingestelde vogels is het S.G. zeer laag;

zij bezitten een sterk gepneumatiseerd skelet, grote luchtzakken aan

hun longen, zij hebben geen urineblaas, slechts 1 eierstok, enz.

Daar staat weer tegenover, dat zweefvliegers en vogels, die in gebie-

den leven, waar altijd een sterke wind waait, weer met een zwaar ske-

let zijn toegerust.

IV. De ligging van het zwaartepunt en het milieu.

Tot slot iets over de ligging van het zwaartepunt. Wij bezien na el-

kander vissen, vogels, en landdieren.

Het is een bekend verschijnsel, dat bij vissen, waar het Zp. in de lengte-

as van het lichaam ligt, de rug- en aarsvinnen evengroot zijn, terwijl,

indien het boven de as is gelegen, de rugvin, wanneer het onder de

as ligt, daarentegen de aarsvin het grootst is, zulks ten voordele bij

het behoud van de verticale stand en de locomotie. Bij vogels, die

goed kunnen zwem-roeien, liggen de zware organen en de poten ach-

teraan, zodat de motor vanzelf onder water ligt.

Bij sterk aan het vliegen aangepaste vogels is het van betekenis, dat

het Zp. onder het drukpunt van de draagvlakken ligt, vlak achter de

as, welke de schoudergordels verbindt, en onder de lengteas van het

lichaam. Deze voorwaarden worden vervuld doordat de vogelromp

in het algemeen naar voren dik en rond is en van achter puntig uit-

loopt. Daarom zijn bij deze vogels zoveel mogelijk zware organen

in het voor-onder van het borstgebied gelocaliseerd (vnl. de vlieg-

240

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954

Studentenalmanak | 324 Pagina's

Studentenalmanak 1954 - pagina 264

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954

Studentenalmanak | 324 Pagina's