Studentenalmanak 1954 - pagina 265
Spieren welke tot 30% van het totale gewicht kunnen uitmaken),
terwijl tevens de hals tijdens het vliegen in een S-bocht naar achter
wordt gehaald. Men lette er op, dat de zwemvogels (zoals zwanen,
eenden, ganzen), waar zoals wij zagen de zware organen juist achter-
aan liggen, met een gestrekte hals vliegen.
Wanneer vogels staan, stelt het Zp. andere eisen aan de vorm. Het
spreekt vanzelf, dat de loodlijn uit het Zp. in het draagvlak van de po-
ten terecht moet komen. Nu ligt bij vele staande vogels het Zp. veelal
iets voor het heupgewricht. Dat brengt met zich mee, dat de voet
een precies zo grote afstand voor het heupgewricht moet staan.Dit
wordt nu mogelijk gemaakt door het vrijwel horizontaal gelegen dij-
been. De lengte van het dijbeen geeft bij vele vogels dus aan hoe
ver het Zp. bij het staan vóór het heupgewricht ligt.
Wij zagen zoeven reeds, dat bij sommige vogels de poten ver naar
achter zijn ingeplant. Hoe verder naar achter hoe steiler is nu de
stand van de vogel bij het staan en het lopen, om zodoende het Zp.
maar boven het draagvlak te houden. Vandaar dat alken en koeten,
maar vooral de pinguïns vrijwel ,.rechtop" staan en lopen. Bij deze
vogels wordt zelfs de staart als 3e steunpunt gebruikt. Met deze stand
van de romp hangt ook samen de lengte van de hals. Wordt de romp
bij het staan horizontaal gehouden, zoals bij ganzen en zwanen, dan
komt een lange S-vormig terug te buigen hals voor, wordt deze ver-
ticaal gehouden dan is de hals kort: vele roofvogels, uilen, pinguïns.
Voor de viervoetige landdieren levert het Zp. geen grote moeilijk-
heden op. Bij die tweevoeters, welke hun romp onder een hoek van
45 met het grondvlak houden, zoals de kangoeroes, wordt de romp
op de achter-extremiteiten gebalanceerd met behulp van een lange
staart. Bij de rechtopgaande zoogdieren, zoals bij verschillende mens-
apen en de mens, is een staart overbodig.
Zo zouden we kunnen doorgaan met b.v. te wijzen op de relatie tus-
sen de algemene lichaamsvorm en de aard van het milieu, op de be-
tekenis der kleuren en patronen, enz. Uit het bovenstaande moge
echter gebleken zijn van hoe groot belang voor een goed verstaan
van de bouw der dieren, een bestudering van het vraagstuk van dier-
vorm en milieu is. Hoe meer de zoöloog dit doet hoe meer hij zich
bewust wordt hoe prachtig de organismen zijn toegerust. Wij voe-
gen daar aan toe: hoe meer hij onder de indruk kan komen van de
wijsheid en grootheid van de Schepper.
241
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Studentenalmanak | 324 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Studentenalmanak | 324 Pagina's