Studentenalmanak 1954 - pagina 288
Het volgende gedicht is weliswaar niet autobiografisch in elkaar ge-
knutseld, doch desondanks als simpele visie van de eerstejaars G. W .
van Halsema op de groentijd, bekroond als tweede gedicht:
'k Lijd smarten, want ik ben nog ongeboren,
'k Heb droefenis, hoewel ik nog niet besta.
' ' Ik huiver om des and'ren toorn.
En krampig krimp ik als ik voor hen sta.
Ze zeggen niets, maar schreeuw-, of fiuist'rend doen ze vragen,
Hoe moet ik weten, wat te doen ?
V/at ook het antwoord, nooit een kans van slagen!
Wat weet ik,foet, van Voet; wat weet ik, groen, van Groen?
Mijn geest verwart man-dril, -doline met -darijnen;
Als warme plastic is mijn diepbeploegde ziel.
Ze zeggen lachend woorden, die schoon schijnen,
Doch vriendelijkheid van dezen is steriel.
Is levensvatbaarheid te vinden in woestijnen ?
Kan koper voortbestaan in vitriool ?
Zal ooit voor mij de zon weer schijnen
In 't droeve duister waar ik dool ?
Maar troostend is het zijn met d'even trieste maten,
Gekluisterd klimmend, met volharding in hun blik;
Zij zijn, in al hun doen en laten
Bewust of onbewust, de spiegels van mijn ik.
262
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Studentenalmanak | 324 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Studentenalmanak | 324 Pagina's