Studentenalmanak 1954 - pagina 293
DE MIST
De mist hangt als een vale deken in mijn straat.
De huizen staan als kille klamme blokken,
Waarachter donkere dreiging klaar tot springen staat
En iedereen is dood of heel ver weggetrokken
De nacht is zo stil, dat je alles hoort,
Ze houdt mij met haar nevel arm ommuurd,
Wordt slechts door 't gurend knarren van een tram doorboord
Maar is er wel een tramlijn in de buurt ?
Een helle angst bespringt mij uit de vage nacht.
'k Heb geen verweer, zij heeft mij in haar ban.
Ineens sla ik terug, verkrijg de overmacht
Dank zij het troostend snurken van een man.
W.
ACHTERLICHT
Monotoon pedaalgemaal
wekt van achter rode gloren,
een robijn in de misère
c'est la lumière en dernière.
Als een glimworm schijnt het tegen
achtergangers moed en zegen:
tuiltje van bloedrode lippen,
dat de duisternis komt nippen
zachtjes bloost haar klein gdaat
op het trappen in de maat,
petillant, geen schelle pijn,
rose weemoed, lauwe schijn.
H. d. B.
267
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Studentenalmanak | 324 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
Studentenalmanak | 324 Pagina's