Studentenalmanak 1956 - pagina 382
vaderland uiting geeft. Overigens zonder adstructie. Een geheel
andere interpretatie luidt: hier spreekt een verliefde jongeman, die
ziet, hoe de vogels hun nesten klaar gemaakt hebben, en nu zijn
klacht slaakt: ik en jij niet. Ongetwijfeld wordt aan den gehelen
zin met deze verklaring beter recht gedaan. Of moeten we het al
te vreemd vinden, dat de schrijver, die een monnik kan of zal
geweest zijn, een dergelijke verzuchting slaakt, en haar bovendien
aan het perkament toevertrouwt? Hem kan niets menselijks vreemd
geweest zijn; ongetwijfeld, maar daarmee blijven we toch in de
onzekerheden zitten.
Nu heeft deze probatio pennae nog een voortzetting. Er staan enkele
krabbels achter, die buitengewoon onduidelijk zijn, maar waarvan
toch wel iets te maken is. Het is zeer aannemelijk, dat ze ook een
vertaling uit het Latijn voorstellen, en wel van een zin, die drie
regels hoger staat en die luidt: quid expectamus nunc. Als we ons
voor een deel met een reconstructie behelpen (waarop ik hier niet
nader zal ingaan), moeten we tot de slotsom komen, dat er gestaan
heeft: wat unbidan we nu. Er liggen hier enkele moeilijkheden,
waaromtrent ik thans aUeen wil opmerken, dat er letterlijk „un-
biadan" schijnt te staan. Onder de middelste a staat echter een punt,
hetgeen wil zeggen, dat ze geëxpungeerd is („doorgeschrapt").
De bedoeling was dus „unbidan" te schrijven, een werkwoord, dat
we heel goed kunnen thuisbrengen. Het is hetzelfde als het Middel-
nederlandse „onbiden", dat „wachten, toeven" betekent en aan het
thans nog bekende „beiden" of „verbeiden" verwant is.
Opnieuw staan we voor de vraag van de interpretatie. Wat be-
tekent: Alle vogelen hebben nesten begonnen behalve ik en jij,
wat wachten we nu? De tweede zin, gesteld dat onze reconstructie
juist is, maakt de veronderstelde aansluiting bij een bijbeltekst
niet aannemelijker. Dit verwondert niet, nadat we reeds gezien
hebben, hoe de eerste zin slechts uiterUjk, door de beeldspraak,
een zekere aanleuning bij Christus' woorden zou kunnen vertonen.
Of nu de romantische opvatting van den verliefden schrijver de
enig overbUjvende mogelijkheid biedt, is moeilijk uit te maken.
Wel mogen we vaststellen, dat zij zeker niet verzwakt wordt door
de dringende vraag: wat toeven we nu? Deze volgt in het Oud-
nederlands, waardoor „behalve ik en jij" meer verstaanbaar wordt
dan wanneer we de vraag voorop geplaatst denken. In het Latijn
schijnt ze wel vooraf te gaan. Sisam heeft dit als vaststaand aan-
genomen en kwam zo tot de woordspeling: na „wat verwachten
we nu" volgt iets dat we helemaal niet verwachten. In de werkelijk-
336
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Studentenalmanak | 446 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Studentenalmanak | 446 Pagina's