Studentenalmanak 1956 - pagina 383
heid moeten we echter ook in de Latijnse versie de vraag als volgend
zien en lezen. Dit blijkt uit het feit, dat „Abent" met een hoofdletter
geschreven staat en „quid" juist niet. Daar de schrijver de Oud-
nederlandse vertaUng precies onder het Latijn wenste te plaatsen,
had hij geen ruimte om het vervolg van het Latijn daar te schrijven.
En elders op dezelfde bladzijde begint hij een penneproef opnieuw
met „Abent omnes". Zij wordt niet voltooid, maar wij weten nu
toch wel met zekerheid, wat we als aanvang moeten zien.
Er zijn echter nog andere mogelijkheden van interpretatie te over-
wegen. De veronderstelling is namelijk geuit, dat de schrijver aan
een lotgenoot zou vragen, of zij nog langer zullen wachten met
zich in een klooster te begeven. Geheel bevredigend is ook deze
verklaring niet. Wij vragen ons af, hoe het gegeven „alle vogels" in
deze opvatting aan een goeden zin kan komen. Het is toch maar
een heel kleine groep mensen, die het kloosterleven begeert. En
roept het beeld van de vogels, die hun nesten klaar gemaakt hebben,
niet allereerst de gedachte op, dat de schrijver aan vogelparen denkt,
vooral nu er volgt: behalve ik en jij?
Het is niet onmogeUjk, dat we de oplossing in een andere richting
moeten zoeken. Hebben we niet al te zwaarwichtige redeneringen
laten gelden voor enkele los daarheen geworpen pennekrabbels
op de achterzijde van een handschrift? Stellen we ons den copiïst
voor. Hij staat gereed, zijn schrijfarbeid te beginnen, maar eerst
maakt hij zijn gereedschap in orde. Zijn aandacht is nog niet ge-
concentreerd op het werk, waaraan hij zich zal wijden. Los weg
schrijft hij nu hier, dan daar iets neer. Men leze eens enkele leoni-
nische hexameters, die hij neerpent.
1. Cordarum modulos pangamus nobile melos
2. Singula dulcisonum quo s(int?) discrimina vocum
3. Callemus resono leviter dinoscere plectro
4. Et sic dissimiles melius formare tenora (tenores?)
5. Accentusque gravis ne f(it?) moderando sua vis
6. Aptemus ceteras (citara?) fides feriendo canora
7. Nunc leviore modo clangentes
8. Nuncquc supremo, a l l e l u i a .
Daar elk vers vóór de caesuur en aan het slot behoort te rijmen,
is het duidelijk, dat er met vers 4 en 6 iets niet in orde is. Dit kunnen
we echter laten rusten. Het gaat er ons om te doen zien, dat de
schrijver maar neerschrijft, wat hem te binnen schiet. Er mankeert
337
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Studentenalmanak | 446 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Studentenalmanak | 446 Pagina's