Studentenalmanak 1956 - pagina 380
„Nieuw" te onderscheiden. In overeenstemming hiermee zullen
ook wij onder Oudnederlands verstaan het Nederlands uit de periode,
die aan het Middelnederlands voorafgaat.
Dat Grimm de onderscheiding als bovengenoemd kon maken, is
vrucht van gevorderde historische taaistudie. De drie door hem
gebruikte termen duiden elk voor zich een bepaalde ontwikkeUngs-
phase aan, die door haar eigenaardigheden gekenmerkt wordt. De
tijden, waarin die kenmerken optreden, vallen niet geUjk voor de
onderscheidene talen. Zo toont het Oudfries een zekere traagheid
van ontwikkeling ten opzichte van andere Oudgermaanse dialecten.
Het valt in denzelfden tijd als het Middelnederlands.
Wie een bladzijde van den Reinaert gelezen heeft, weet hoe ver het
Nederlands der late middeleeuwen niet aUeen van het tegenwoordige
Nederlands afstaat, maar ook van het zeventiende-eeuws. Nog sterker
zou men het als vreemd ervaren, zo men eens met een bladzijde
Oudnederlands kon kennis maken. Zulk een pagina is echter nooit
gevonden. We zouden ons moeten behelpen met een of twee zinnen
(waarover straks nader), die wel een zeer schaars materiaal bieden.
Wel kunnen we constateren, hoe ver het Oudhoogduits, het
Oudengels en andere Oudgermaanse talen van het tegenwoordige
Hoogduits, Engels enz. af staan. Het kenmerk van al die talen uit
de oude periode is de aanwezigheid van duidelijke vocalen in de
slotlettergrepen ,in allerlei casus- en conjugatievormen. Het Latijn
toont een overvloed van dergelijke klinkers. Als voorbeeld voor
het Germaans haal ik een regel van het Onze Vader in het Gotisch
aan: weihnai namo thein (geheiligd worde - naam - uw). Zowel het
verbum als het volgende substantief tonen genoemd verschijnsel.
Het woord namo is wel zeer duidelijk. Het komt in meer Oud-
germaanse talen voor, bijvoorbeeld in het Oudhoogduits en Oud-
saksisch (beide hebben namo) en in het Oudengels (nama). We zien
een duidelijke vocaal in de slotsyllabe. In de Middel-periode zijn
dergelijke kUnkers {o, a, u enz.) tot een soort eenheidsvocaal ge-
worden, meest geschreven met het teken e. Zij karakteriseren daarin
die ontwikkeUngsphase. Zo treffen we in het Middelnederlands het
substantief name, met e in de slotlettergreep, aan; in het Middel-
hoogduits evenzo. Dergelijke voorbeelden zouden in groten getale
kunnen gegeven worden. We mogen hiermee echter voor ons
onderwerp volstaan.
Vóór 1931 zou het geen omvangrijke taak geweest zijn over het
Oudnederlands te handelen om de eenvoudige reden, dat er geen
Oudnederlandse teksten bekend waren. Slechts kon men wijzen
334
1
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Studentenalmanak | 446 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956
Studentenalmanak | 446 Pagina's