Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1957 - pagina 261

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1957 - pagina 261

2 minuten leestijd

Daarvan is bij ons veel verloren gegaan. De toch werkelijk niet

geëxalteerde Johannes de Jong kon wel spreken over God's „dui-

zelingwekkende schoonheid", en „met een goede overvloed van

het hart"^), vertelt zijn biograaf. Dat eerbied en schroom tot sober-

heid gedwongen hebben, spreekt bij hem van zelf. Kunnen wij niet

zo spreken?

III. Wie Augustinus noemt, komt onherroepelijk tot contact met

het griekse denken. Men gaat in de laatste decaden steeds meer een

fundamentele tegenstelling tussen het griekse en het christelijke

denken zien, en men proclameert tegenwoordig dit inlicht tot in

de dagbladpers toe. En inderdaad, op zeer essentiële punten is die

antithese een feit, en het vergeten ervan heeft vaak ingrijpende

en droevige gevolgen gehad. Maar speciaal in onze tijd leidt het

wegwerpen van het kind met het badwater tot een ernstig verlies;

verschillende resultaten van het griekse denken kunnen we onmo-

gelijk missen. In dit verband noem ik allereerst de gedachte van een

kosmos — orde, wereld en sieraad tegehjk — een evenzeer griekse

als bijbelse gedachte, die we tegenover een existentialisme, dat

zich met een oerangst in een oerchaos geworpen voelt, niet kunnen

loslaten. En als men over schoonheid denkt, komt men altijd weer

bij Plato terecht. Van de ideeën, zegt deze, vindt men op aarde geen

volkomen verwerkelijking (het doet er hier niet toe, hoe men de idee

opvat, als oerbeeld, voorbeeld, beginsel of „ideaal"). Maar de schoon-

heid verkeert in een bevoorrechte positie; zij alleen kan hier enigs-

zins adaequaat verwerkelijkt worden: „De schoonheid was toen

(n.l. op de tocht der zielen, voor hun incarnatie, naar de „boven-

hemelse gewesten") stralend om te zien, toen de zielen in zalige rei

een gelukkige aanblik en schouwspel genoten.... en ingewijd

werden in wat de heerhjkste wijdingen mogen heten. Die vierden

wij, zelf geheel gaaf en ongedeerd door het kwaad, dat ons later

te wachten stond, terwijl we gave, enkelvoudige, onwankelbare,

gelukkige verschijningen aanschouwden in rein licht

Deze uitweiding zij aan de herinnering geschonken, gespro-

ken als zij is uit het terug verlangen naar de heerlijkheid van toen.

Doch wat de schoonheid betreft, zij schitterde toen, en hier geko-

men hebben we haar met het duidehjkste van onze zintuigen ge-

grepen, terwijl ze het duidelijkst glanst. Want het gezicht is de scherp-

ste waarneming, die ons door het lichaam toekomt. De wijsheid

zien wij daarmee niet — onbeschrijfelijke begeerte zou die wekken,

als ze zulk een duidelijk beeld gaf van zichzelf, dat het tot ons

243

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957

Studentenalmanak | 340 Pagina's

Studentenalmanak 1957 - pagina 261

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957

Studentenalmanak | 340 Pagina's