Studentenalmanak 1957 - pagina 263
Immers, de befaamde „menselijke waardigheid" is een eminent
christelijk belang.
Daarom beminne men ook niet te zeer het gruwelijke. Ontelbare
theologen verwijzen naar het altaarstuk uit Isenheim (vooral sinds in
1918 de toenmalige predikant van Safenwil in een opzienbarend
boek Grünewald genoemd had!) Ook hier is het weer een kwestie
van accentuering. Het stuk van Grünewald is een imposant werk,
en men zal het „ m o m e n t " (van der Leeuw's term), dat het uitdrukt,
niet kunnen missen. Men kan echter in het grote fresco van Fra
Angelico (zeker, de „liefelijke" Fra Angelico!) met zijn rode achter-
grond de verschrikking van Golgotha ook vinden — en toch anders.
V. Het trekken van grenzen is ons nogal vertrouwd — gelukkig,
want het is misschien onze belangrijkste taak. Stellig als met rede
begiftigde wezens: de menselijke geest moet begrenzingen vinden
of maken; eigenhjk is dat het voornaamste cultuurwerk. Ook dit
is een onmisbaar bestanddeel uit de griekse erfenis. E n als Chris-
tenen worden we niet minder geroepen tot omtuinen (Abraham
Kuyper heeft dit alles heel goed beseft).
Hier, met leedwezen over de schematisering, drie punten bij wijze
van corollaria:
a. Kunst omsluit meer dan schoonheid; daarom kan van Peursen^^)
terecht waarschuwen tegen een kunst, die „een diepe bedding van
krachtig stromend religieus besef in zich bergt welke afvoert van
G o d " (de gedachte is beter dan de stijl!). Dit hebben de besten,
die „christelijke kritiek" hebben willen geven, steeds geweten.
Maar nu vergete men niet, dat het gevaar niet in de schoonheid
ligt — die komt alleen van God. Dus „niet christelijke schoonheid"
is een contradictio in terminis, en het in zijn uitwerking verder-
felijke kunstwerk getuigt in zijn schoonheid van God's glorie.
b. Kan de schoonheid zelf van God afvoeren? Michelangelo heeft
in zijn ouderdom met deze vraag geworsteld (ik bedoel het, zoals
hij het beleefd heeft; niet het ethicisme van Tolstoi). Als ik het
goed zie, is Mönnich er ook mee bezig, als hij van „onkuise kunst"
spreekt 1^).
Van der Leeuw „verstout zich" en zegt: „Wie de Schoonheid heeft,
heeft G o d " ^*). Daar is het antwoord. Wie schrikt van de formule-
ring, grijpe terug op het boven geciteerde woord van van Peursen
over het op geestelijke wijze ondergaan van de schoonheid — het
zegt precies hetzelfde.
Het betekent niet, dat men — om van Peursen's voorbeeld van
245
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Studentenalmanak | 340 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
Studentenalmanak | 340 Pagina's