Studentenalmanak 1959 - pagina 249
want in ons ruist het riet van de adem
aan de oever van de rivieren der doden
wij kunnen de zon in het water zien schijnen
als we ons bukken over onszelf; zelfs staan
onze voeten in het water, achter de spiegel
zijn wij ook en evenver
langzaam naderen wij elkaar, vallen samen
tot een opvliegende vogel.
6
ook zijn de levenden bij lamplicht
grootgeworden, in hun handen ^
hebben zij een huis, een stad.
zij hebben een kleine slag
in de ruimte gemaakt
een begin van gevleugeld zijn
maar spoedig gingen ze slapen
in het nest van
het eigen lichaam
een winterslaap.
7
met onze adem hebben wij
de spiegel waarin zij nog stonden
bewasemd, een herfstlandschap
maakten wij van hun herinnering
en langzaam begon
de sneeuw van onze woorden
op hen te vallen
8
wel varen wij langs hen heen
met onze vingers van was in de oren
maar dezelfde eenoog is
in ons land koning
even eenzaam zullen wij aanspoelen
uit water veel te diep
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959
Studentenalmanak | 372 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959
Studentenalmanak | 372 Pagina's