Studentenalmanak 1959 - pagina 251
11
regen tegen de ruiten
van ons bestaan, vruchtbare aarde
op de bodem van ons denken
maar soms met geen woord te verzoenen:
voortdurend worden doden
aan hun bestaan herinnerd
door de felle trilling pijn, een signaal
sneller dan het licht
verder dan wij denken
hun afgrond de ademende ruimte
van een gemarteld lichaam, hun nacht
de geur van bloed als van
rottende bladeren, de schaduw
van rooster en prikkeldraad valt over hen
als een boom over de weg, de kiel van hun schepen
is begroeid met vernedering, langzaam
keren zij terug op onze schreden.
12
er is een poollandschap kennis omtrent ons:
doden en levenden zijn ingesneeuwd
in de dingen, wij bouwen er een iglo van
met koude handen, onverstandige dieren
zijn ons behulpzaam, maar in de nacht
ligt de deur vast, wij zijn die wij waren.
onaantastbaar: geen alchemie
wijst ons de weg ons zwijgen
goud te maken, munten, inwisselbaar
voor warmte, slechts onze huid
bevroren waterval van licht, is tussen ons
en de dingen, maar het is genoeg:
ook doden hebben een huid van stilte.
menszijn is afstand, onverliesbaar.
233
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959
Studentenalmanak | 372 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959
Studentenalmanak | 372 Pagina's