Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Studentenalmanak 1959 - pagina 263

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Studentenalmanak 1959 - pagina 263

2 minuten leestijd

Een valpartij

Als eersten, als laatsten.

Blikkerend van de zomerhitte trachtte het duinzand schaduw te

vinden onder de verbrande helmsprieten, hoewel, als het te zot

werd met de warmte, een briesje uit zee kwam geblazen ver-

gezeld van een geur van zure krengen en dood wier (bah). Er

liepen wat bruine beesten rond waar ze de naam niet van wisten.

De onmogelijkste vogeltjes en natuurlijk de krekels sjirpten en

piepten de maat vol. Straks sloeg hij ze nog dood.

Ze was de mooiste (de eerste, de laatste) zoals ze trots haar borst

droeg als een soldaat een hoge onderscheiding en de krekels en

de vogels en de beesten waar ze de naam niet van wisten keken

hun ogen uit.

Dichtbij klonk gepraat van water. Ze versnelden hun pas, want

de zandkorrels moesten nodig tussen hun tenen vandaan ge-

sproeid worden en bij water is het goed vrijen.

Pas opl

Maar ja, daar lag ze, stil als sneeuw. Haar benen iets gespreid,

een arm greep bevallig naar de wortel waarover ze was gestrui-

keld. Langs de steen naast haar hoofd biggelden druppels van haar

bloed, met een glinstering er in van vrijpostig zonlicht.

De hemel schemerde paars (als een bisschop) en het zand was

nu van een onbestemde blauwachtige kleur. Waarom sisten de

krekels als slangen en waarom waren de beesten waar ze de naam

niet van wisten kleine schoften? Ze waren aan een soort doden-

dans begonnen — een onordelijk getrippel dat allengs overging

in een gestamp, een gedreun. En waarom werden de schoften

nu zo dik, zo wanstaltig vet? Reusachtige . . . bergachtige . . . ze

verduisterden de zon . . . diepe putten stampen in het zand met

poten als heilige eiken. Hij schreeuwde. Ze vluchtten als de wie-

deweerga en het was weer bij het oude. (Eindelijk.)

Hij begreep nu wel dat ze dood was. Het hart was uitgeklopt en

de een of andere gek hield een holle redevoering in haar borst-

kas. Niet meer luisteren, ze is dood, meneertje, weg met dat

oor. Hij ging naar haar liggen kijken in het zand, hoofd op de

elleboog. Waarom ben je gevallen? Het is het laatste, liefje, het

245

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959

Studentenalmanak | 372 Pagina's

Studentenalmanak 1959 - pagina 263

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1959

Studentenalmanak | 372 Pagina's