Studentenalmanak 1961 - pagina 270
en de angst maakt je polsen nat. Denk dan, denk." Hij schreeuwde het
in de spiegel. „Gek ben je . . . G E K . " Haastig trok hij zijn jasje aan. Hij
sloot het raam. „Ik moet weg," dacht hij. „Iedereen kent me. Misschien
zijn ze al met speurhonden bezig. Hoe is het toch precies gebeurd . . . ?
Waarom kan ik m'n handen niet stil houden ?
Met z'n handen in z'n zakken, stijf tegen z'n lendenen gedrukt, liep meneer
Sessenhuygen haastig in de richting van het station. Nog nooit was hij
er zich zo van bewust geweest, dat hij handen had. Hij droeg ze mee als
vreemde groeisels, als wezens met een eigen wil. „Ik moet geen kennissen
tegenkomen," dacht hij. „ E r zijn zoveel mensen op straat. Zij leven en
lopen en denken. Is schuld niet de ultieme gedachte? Iemand, die een
gedachte uitspreekt, heeft duizend jaar geleden een moord gepleegd en
over duizend jaar zal zijn schuld voortleven in ons, zijn nakomelingen.
Wij zijn vervloekt. Iedereen is vervloekt, maar de vloek geldt slechts voor
hen die het weten. Ze maken jacht op mij omdat ik het weet. Moet ik
dan niet op de daken gaan staan en prediken? Waarom loop ik, ril ik,
vlucht ik? Waarom zal ik mij niet als apostel opwerpen en vervolgens
wolf worden en met wolven jagen? Ben ik het lam, het lokaas omdat ik
mij schuldig weet? Ze zoeken me, ze jagen op me, huilend, hun tong
uit hun bek, en ik loop door een stad vol pratende mensen en ril en zweet."
,,Däg meneer Sessenhuygen."
Hij was herkend. De stem kwam van opzij en bevroor in z'n oren. Flarden
van woorden zweefden als engelen en elfen om hem heen:
„Hoe g a a t . . . . ochtendblad gelezen . . . . oord v a n n a c h t . . . . wie het
ged
En telkens een mist die in vlagen de woorden omwaaide. Zijn benen die
weer begonnen te lopen. De straat die onder z'n voeten bewoog. Dat
raderwerk in z'n hoofd . . . . een ontzaggeUjk snel draaien, malen . . . . een
ellendig gezoem . . . . die rotsirene . . . . waar loop ik . . . . een hart dat
ratelde in al z'n ledematen.
Weg liep hij door de straten. De vriend, die hem aangesproken had, keek
hem na, het voorhoofd vol rimpels. Weg liep hij door de straten, vol
mensen met monden vol geluid. Gezichten verbaasd naar hem omgewend.
Sommigen bleven staan en wezen naar hem. Dan praatten ze opgewonden
met de omstanders, tot hij verdwenen was om de hoek van de volgende
straat. Hij liep snel door vele visioenen. De stenen onder hem bewogen
en plotseüng stond voor hem een geweldige commissaris, zijn kraag:
2j6
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Studentenalmanak | 402 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1961
Studentenalmanak | 402 Pagina's