Studentenalmanak 1962 - pagina 56
/
anderen, en het zijn niet de minsten, aarzelen juist vlak voor ze de be-
slissende keus doen; als die eenmaal gevallen is, is hij ook definitief, en
heeft dan niets meer van een automatisme. Zo is het ook bij Sizoo ge-
gaan, die geen moment van zijn verdere leven iets anders had wülen zijn
dan classicus.
Over zijn jaren op het gemeentelijk gymnasium te Gorinchem doorge-
bracht zwijg ik; een toekomstig levensbericht zal er stellig over spreken.
Hij bewaarde er zeer goede herinneringen aan. Hetzelfde geldt van zijn
studie aan onze universiteit.
In 1918 is hij gepromoveerd op een dissertatie over een paedagogische
verhandeling van Plutarchus. De keus van het onderwerp typeert hem:
zijn hele leven heeft hij belangstelling gehad voor alles wat het onderwijs
betrof, al had hij voor de theoretische paedagogiek niet meer dan de
ietwat koele aandacht, die de meeste classici voor dit vak plegen te ver-
tonen.
Ongetwijfeld zijn bij zijn promotie waarderende woorden gesproken, en
terecht: de dissertatie is een degelijk stuk werk, waarin een jong philoloog
toont zijn vak te beheersen. Maar — en nu ben ik misschien ietwat on-
billijk tegenover deze eersteling; dat komt dan, doordat ik het latere
werk voor ogen heb — meer toch ook niet. Stellig is er toen gesproken
over beloften en verwachtingen; die zijn vervuld, maar Sizoo heeft eerst
moeten rijpen.
In de tien jaren na de promotie is dat gebeurd. Sizoo schrijft over allerlei
onderwerpen. Hij weert zich in de strijd over de klassieke opleiding —
het was toen ook nodig, al was het gevaar minder dreigend dan het nu
is. Hij tracht het wezen van het Christelijk middelbaar onderwijs te pei-
len; daarbij valt op, dat deze warme voorstander van Christelijk onder-
wijs in alle geledingen er diep van overtuigd is, dat het openbaar onder-
wijs even goed een zaak is, die hem en al zijn medestanders ter harte
moet gaan: van overbodige „consequenties uit de antithese" heeft hij
nooit willen weten. Voor de docenten van het ChristeUjk gymnasiaal
onderwijs achtte hij het Genootschap van leraren aan nederlandse gym-
nasia en lycea de aangewezen organisatie; hij heeft dan ook in dit genoot-
schap, dat hem later tot erelid heeft benoemd, een grote rol gespeeld.
Van wetenschappelijke aard is zijn artikel over Athenagoras uit 1922 (de
belangstelling voor de oud-Christelijke letterkunde manifesteert zich reeds
duidelijk), zijn referaat voor de wetenschappelijke samenkomst van onze
universiteit in 1921 over de Cynisch-Stoische propaganda, een voordracht
op het philologencongres van 1927 over Caesar's Anticato en een artikel
in de Revue des études latines van het zelfde jaar over Thrasea Paetus en de
Stoa. Al met al verschijnen in die tien jaar 37 publicaties, en al zijn daarbij
/^
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Studentenalmanak | 436 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Studentenalmanak | 436 Pagina's