Studentenalmanak 1962 - pagina 51
zoek een zekere afronding gekregen, toen hem een tijdschriftartikel uit
de periode van het „conflict" onder ogen kwam dat hem aanvankelijk
was ontgaan; bij het lezen van het artikel groeide bij hem het inzicht
dat hij „zijn" periode nog niet diep genoeg gepeild had en de studie ving
opnieuw aan, over hetzelfde onderwerp. Dit typeert de echte historicus,
hij zal niet rusten voordat hij de historische verschijnselen van hinnenuit
heeft leren kennen en daarvoor kan iedere nuance waarde hebben. En zo
is Goslinga met heel de geschiedenis, in het bijzonder met de achttiende
en negentiende eeuw omgegaan.
Vaak worden tegenover elkaar gesteld de historici die bij de afzonderlijke
feiten blijven staan en zij die steeds grote Ujnen willen zien. Menigeen
zal niet aarzelen Goslinga tot de eerste groep te rekenen. Echter ten on-
rechte, voor hem althans gaat de tegenstelling niet op. Wanneer ik terug-
denk aan zijn colleges, dan heb ik daarvan nog een levendig beeld, ver-
vaagd zijn wel de details, maar juist niet de methode, de tendentie, du
hoojdlijn. E n in zijn historische studies is er wel de bijna ascetische aan-
dacht voor het enkele feit, de afgegrensde periode, maar in het rusteloze
verlangen de waarheid uit haar verborgenheid aa^iyhet licht te brengen,
worden het beperkte feit, de beperkte periode tot een historische verschijn-
sel van uiterste gecompliceerdheid, waarin een halve eeuw zich voor korte
tijd samentrekt; de geestelijke stromingen, de personen in hun denken
en handelen, zij alle worden op hun achtergronden nagegaan. Wie b.v.
de geschiedenis van het midden der negentiende eeuw wil begrijpen leze
de studie over het conflict Groen-van der Brugghen, want Goslinga
heeft in eindeloos geduld jarenlang met haar meegeleefd.
N u kan ik terugkomen op de aporia.
In 1918 werden Goslinga en Van Schelven benoemd aan de Vrije Uni-
versiteit, zij waren de eerste hoogleraren die aan deze universiteit de al-
gemene en vaderlandse geschiedenis van Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
doceerden. Van Schelven heeft het ongeveer vijfentwintig jaar gedaan en
Goslinga ruim vijfendertig jaar. Van beiden werd verwacht dat zij de ge-
schiedenis in Christelijke geest zouden beoefenen. Van Schelven heeft,
reeds vrij spoedig na zijn optreden als hoogleraar, over het probleem
van een Christelijke geschiedeniswetenschap gepubliceerd. Hierop gaan
we in dit artikel uiteraard niet in. Publicaties van die aard hebben we
van Goslinga niet. Men zal zeggen, theoretische bezinning op de geschie-
denis als zodanig lag hem niet. Ik betwijfel of dat wel juist is. Het is ook
mogeUjk dat de aanleg tot zulk een bezinning er wel was, maar dat die
niet tot ontplooiing is gekomen. Goslinga heeft zelf wel eens, met een
47
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Studentenalmanak | 436 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Studentenalmanak | 436 Pagina's