Studentenalmanak 1962 - pagina 307
zijn zeker benijden, meende zij.
En opstandingslied deinde door de ruimte. Met schelle overslaande stem
zong de verpleegster de woorden mee. Zelfs lukte het haar stem te laten
vibreren.
„Ik zong vroeger altijd in een koor", zei ze toen het lied ophield. „Ik
heb een echte koorstem. En nu moet je die harmonicaplaat eens opzetten
broeder, daar hou je toch zo van Pietje?" riep ze naar een jonge patiënt.
De aangeroepene knikte heftig en onthutst: „jjje-ja zuster !"
Terwijl de harmonica's klaagden glimlachte de vrouw naar de verpleger:
,,Ja het leven is toch wel mooi, je kunt zoveel voor de mensen doen weet
je. Jongejan z'n moeder komt hem wel eens opzoeken en dan zegt zij dat
het altijd zo'n troost is te zien hoe goed haar zoon door ons verzorgd
wordt. Och ja, een mens is toch wel gevoelig voor een complimentje niet-
waar, ook al ben je er voor je zelf zeker van dat je je best doet."
Zij knikte vertederd voor zich heen en staarde enige tijd naar haar on-
beringde vingers die samengevouwen in haar schoot lagen.
„Je moest de boel maar weer aan kant maken" zei ze toen.
O m negen uur die avond was de zaal verlaten. De meesten lagen reeds
in bed. In de kille zaal stond rond de tafels nog een krans van stoelen,
vijfendertig in totaal. Ik stond alleen temidden van de restanten van het
feest, de broeder had mij opgedragen de zaal aan te vegen.
Buiten ruisten de bomen hoorbaar onder het tegengeweld. In de keuken
rammelde het debiele Pietje met de afwas. Op tafel lagen een stuk of
twaalf vernielde sigaretten, de tabak verspreid over het kleed. De vloeitjes
uitgekauwd of verfrommeld op de grond . . .
Boven hoorde ik het stommelen van blote voeten op het zeil. Het koor
in de pickup zong vreugdevol: „ja de Heer is waarlijk opgestaan."
Ik geloof dat ik toen geschreid heb.
Vandaag heb ik mijn studievriend Paul ter A. op bezoek gehad. Voor
het eerst sedert mijn intrede in de stichting. Hij scheen het nogal druk
gehad te hebben met zijn tentamens. Bovendien bekleedt hij verschillende
functies in de vereniging, zegt hij.
,,Je had kunnen schrijven" beschuldig ik, als wij door de tuin van het
paviljoen wandelen.
Hij antwoordt niet direct maar houdt mij een pakje sigaretten voor. Meteen
staat Sanders, een onbetrouwbaar psychopaat voor wie ik heimelijk bang
ben (hij mag me niet en heeft al eens een verpleger doodgetrapt) voor
ons. „ Z o u je mij er ook niet een aanbieden?"
Onder zijn lage wenkbrauwen loensen zijn stekende ogen beurtelings van
Paul naar mij. Ik geef hem mijn sigaret als ik zie dat Paul aarzelt.
ßOJ
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Studentenalmanak | 436 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
Studentenalmanak | 436 Pagina's