Studentenalmanak 1966 - pagina 385
Ondankbare. Als een moeder heb ik om je geworsteld. Ik heb onder je
geleden. Ik heb alles geduld, alles me laten zeggen, over me heen laten
gaan. Opdat er tenminste bij al dat doldrieste, onzinnige, wufte, ge-
waagde geschrijf, nog iets van je terecht zou komen. En jij? Het felste
wapen dat ik ken, het puntje van jouw gauwe pen, was tegen mij ge-
richt, je eigen trouwe, edele onderwerp (een snik die me door merg
en been gaat), een onderwerp waar velen hun penhouders naar zouden
likken, ja afkluiven t o t op het bot. Wat was er niet van mij te maken
geweest. Het Onderwerp op z'n verhevenst, op z'n rijkst, alle onder-
werpen in zich bevattend. Dat heeft Goethe begrepen (zeker nooit een
letter van gelezen?) En Lodewijk van Deyssel: ,,lk houd van het proza,
dat als een man op mij afkomt." Nu, ik kwam altijd mee, dat verzeker
ik je. Anders zag het er voor die man niet best uit. Soms vroeg hij eerst
even naar mij. Ik mocht me dan aan hem voorstellen. Hij was een echte
heer, Lodewijk. Modieus gekleed. Roos in zijn knoopsgat. Een enkele
keer was hij grof. ,,Onaangenaam" zei hij dan, als ik mij voorstelde.
En dan was ik verder lucht voor hem. Maar meestal was het: ,,Aange-
naam", ook al vond hij mij wat onbeduidend. Ik mocht dan naast hem
zitten. „Let op, daar komt er weer een", zei hij, zijn lippen likkend.
Als de prozaman er dan eenmaal was, verslond hij hem, met huid en
haar. Hij lustte ze. Ja, Lodewijk was een fijnproever . . ."
Het Onderwerp geeft zich over aan zijn herinneringen en schijnt op
zijn beurt mijn aanwezigheid vergeten. Soms glimlacht het afwezig, of
murmelt iets half verstaanbaars. ,,lk ben een zot in 't diepst van mijn
gedachten . . ." fluistert het, met kennelijk welbehagen. Zeker een ge-
liefd citaat. Wacht es, was dat niet een beetje anders? Kleine geheugen-
stoornis. Het Onderwerp wordt oud. Hoe oud zou het Onderwerp wel
zijn? Zou ik het durven te vragen, straks? In elk geval heeft het de
eeuwen getrotseerd. Het moet Zeno nog gekend hebben. Misschien
heeft het nog verstoppertje gedaan in de tuin van Epicurus. Daar was
het reuze gezellig. Epicurus: „Dames en heren, Chairete! Ik heb een
droevige mededeling: ons Onderzoek is zoek. Wat moeten we nu be-
ginnen? Het heeft zich verstopt. Wie het vindt mag het opgeven. Wie
het niet vindt ook. Eén, twee, drie! Zoeken!" Het Onderwerp grinnikt.
Het raakt steeds meer in zichzelf verdiept. Zotte gedachte. Enfin, hoef
ik het zolang niet te doen. Misschien gaat het nog eens mémoires schrij-
377
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Studentenalmanak | 506 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Studentenalmanak | 506 Pagina's