Studentenalmanak 1966 - pagina 386
ven. Dan word ik een zwarte bladzijde. Of genegeerd. Met gelijke munt
betaald. Wacht wat zie ik? Het maakt zich met moeite los, geloof ik.
,,. . . dat als een man op mij a f k o m t . . ." herhaalt het nog een paar maal.
Het wil toch niet op mij afkomen?. . .
,,Ja, als een man. Daar hield ik ook zo van. Maar hoe komt dit op mij af?
Als een nozem op een matrone, foei! Gemolesteerd heb je mij, geschof-
feerd, aangerand, mij, mij! Weet je wel dat door mij de cultuur mogelijk
geworden is? En toen ze er eenmaal was is ze door mij opgestuwd,
schrijvenderwijs. Door mij zijn velen schatrijk geworden, velen be-
roemd, enkelen belde tegelijk. Ik hoef maar de twee grote V's te noe-
men: Vinkenoog en Vergilius. Wat is dit voor geschrijf? vellen vol en
niet één zinnig woord staat er in. Wie wordt hier rijker van in zijn
geest, wie beter in 't gemoed? Ik geneer mij over en voor mijzelf en
anderen en hoop dat niemand er een oog in slaat. Ik ben mijn eigen
caricatuur... N i c h t i g k e i t . . . "
De laatste woorden gaan half verloren in een gesmoord snikken. Daar
staat het Onderwerp, ten prooi aan de hevigste emoties. Het grijpt mij
toch meer aan dan ik mijzelf wel wil bekennen. Ik sta zwijgend, met
gebogen hoofd. Bij zeer grote smart, heb ik wel eens in een roman ge-
lezen, past alleen maar eerbiedig zwijgen. Tegelijk houd ik het Onder-
werp met één oog in de gaten. Ik heb zo'n idee dat er nog meer komt.
Dit is nog niet de crisis. En o wee als straks het Onderwerp in de crisis
komt! (O kijk uit, daat begint het weer.)
,,Het ging dus over mij, tegen mij, zonder mij. Dat laatste dacht je ten-
minste. Dat was je geklutste illusie. Daar zullen we het nu eens over
hebben.
Lichtzinnige, luister.
Om te beginnen was ik er, omdat ik er eerder was dan jij, sn . . neus!
Ik besta al eeuwen. Ik besta sinds de eerste pen (of wat daar voor door-
ging) op papier (item) gezet werd. Ik: kwaliteit: Onderwerp, persoons-
naam vandaag: Schrijven. Dus was ik er ook toen jij daar béte op dat
prachtige blanke papier zat te staren, net zolang tot je erdoor be-
toverd, beneveld was (snap je nou waarom je mij maar niet zag?) zeg
maar stomdronken en toch nog meer stom dan dronken. En toen je
stom genoeg was om het gouwe puntje van je gauwe pen te dicht bij
het papier te laten komen - ik zag dat aankomen - klom ik vliegens-
378
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Studentenalmanak | 506 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1966
Studentenalmanak | 506 Pagina's