Studentenalmanak 1967 - pagina 239
algemeen nog in een betrekkelijke rust. Zij leefde en werkte onder het
bestel van de Wet op het hoger onderwijs van 1876 en van het daarbij
behorend academisch statuut van 1877, die beiden gekenmerkt waren
door een verrukkelijke simplicitas. Voor de omschrijving van wat hoger
onderwijs was had de wetgever slechts één artikel nodig gehad: Hoger
onderwijs omvat de vorming en voorbereiding tot zelfstandige beoefening
der wetenschappen en tot het bekleden van ambten, waarvoor een
wetenschappelijke opleiding vereist wordt. Dat was alles. En daarmee
was feitelijk de toenmalige normale universiteit getypeerd: een instituut
voor wetenschappelijke vorming en voor wetenschappelijke opleidmg
voor bepaalde beroepen. Natuurlijk heeft ook dit type van de universiteit
haar invloed op de samenleving uitgeoefend, zoals de universiteit dat
altijd gedaan heeft, ook in haar middeleeuwse verschijnsvorm met het
trivium en quadruvium, maar van de maatschappij zelve stond zij tamelijk
los. Een symptoom daarvan was onder meer, dat er krachtens het statuut
behalve in het nederlands ook in het latijn mocht worden gedoceerd.
Voorts: de hoogleraren behoorden toenmaals nog tot de deftige stand,
die zich boven het gewone volk verheven achtte. En met de studenten
was het nagenoeg evenzo gesteld. Hoewel niet allen, waren toch veruit
de meesten van goede komaf. Zij vormden van huis uit een maatschap-
pelijke élite en als zodanig leefden zij ook binnen de muren der universi-
teit in het kader van de studentencorpora, tegenover de burgerij behept
met een zekere mate van superioriteitsgevoel. Ten opzichte van de
maatschappij had de universiteit dan ook als zodanig geen uitdrukkelijke
taak; zij was slechts een instituut voor wetenschappelijke vorming en
voor wetenschappelijk onderwijs. Dit hing ook wel samen met de op-
vatting, dat het hoger onderwijs geen bijdrage had te leveren voor de
maatschappij in de zin van bedrijfsleven en technische toestel der ge-
meenschap, om een formulering van Huizinga te gebruiken. De opvatting
ener staatscommissie van 1828: ,,De inrichtingen tot bevordering van
praktische kundigheden voor handeldrijvenden, fabrikanten en land-
bouwers behoren nimmer een integrerend deel der hogescholen uit te
maken", deed ook nog opgeld ten tijde van de totstandkoming van de
wet van 1876. Het citaat is ontleend aan S. j . Fockema Andreae, ,,Een
mensenleven in Nederland", en deze betoogt in hetzelfde verband verder,
dat ook ten opzichte van de ,,geleerde standen m de maatschappij",
waarvoor de hogeschoolopleiding wèl bestemd was - theologen, juristen,
medici, literatoren en fysici - de universiteit alleen de wetenschappelijke
voorwaarde verschafte, die nodig was om de praktische geschiktheid
te krijgen, niet de geschiktheid zelf. En ten slotte: de geest van de tijd
was er nog niet op gericht de universiteit een taak te doen vervullen
buiten de geleerde stand der maatschappij. Deze instelling wortelde
enerzijds in het geestelijke klimaat van de tijd, dat zich kenmerkte door
235
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's