Studentenalmanak 1967 - pagina 251
het bad
Hij moest maar gaan. Hij had het gemerkt aan de manier waarop men
zwijgzaam werd als hij zijn inkopen deed, waarbij men tegen hem
sprak als tegen een vroegere kennis die hen probeert uit te leggen wie
hij is maar die men zich niet herinnert. Ook had men het hem zomaar
in zijn gezicht gezegd. Alsof hij al niet genoeg ellende van hen onder-
vonden had, alsof zij hem al niet lang genoeg getreiterd hadden en alsof
men hem niet altijd al de goede baantjes ontzegd had, terwijl hij toch
zeker niet minder was dan de anderen, ja, ja, dat waren dan die mooie
,,rechten" waarover ze zo wijs konden spreken. Wie de plichten die zij
zich gesteld hadden op zich nam, die zou ook rechten ontvangen. Maar
had hij zijn leven lang eigenlijk al niet anders gedaan dan plichten op
zich nemen? Was hij ooit wel zeker geweest van het een of ander recht
dat hij kon laten gelden? Hij wist het niet; zelfs zijn leven was hij niet
altijd zeker geweest. En na al dat zwoegen waardoor hij alleen maar
verbitterd was geworden en niet gelukkig, was het dan plotseling geko-
men, je moest maar gaan! Zij hadden uit de houten barak, waarin hij
met twintig van hen sliep, zijn kleren bijeengezocht, terwijl hij bevend
tegen de houten wand stond en niet in staat was om zich te verdedigen,
te verweren. O nee, hij had wel op willen springen en schreeuwen:
„ K i j k naar buiten! Zien jullie die groene bomen, die groene velden
tot aan de horizon? Heb ik daar niet even goed aan meegewerkt? Was
ik er ook niet bij toen wij hier kwamen en er alleen een kale woestenij
was?" Maar hij had geen woord uit kunnen brengen en zag de gezichten
die zich in de deuropening verdrongen en die naar hem keken terwijl
de monden langzaam openzakten van verbazing. Ze namen zijn kleren
en hij kreeg een half brood mee, ja, dat kreeg hij nog, maar de gouden
ring die hij van Maria had gekregen toen hij haar voor de eerste keer
gekust had moest hij afstaan. Die was immers uit de gemeenschap voort-
gekomen en zou weer naar haar terugkeren en bovendien, zeiden ze,
was zij toch dood en had hij de ring eigenlijk al terug moeten geven.
Op het halve brood had hij recht, zei men, omdat hij daar die ochtend
nog voor had gewerkt; het werd met zijn kleren in een bundeltje ge-
bonden en als hij zelf een stok zocht zou hij het gemakkelijk kunnen
dragen. Toen moest hij voor een bureau komen en zijn koperen naam-
bordje afgeven; het werd in een grote doos gedaan en hij zag hoe zijn
naam in het boek met de vele namen geschrapt werd met een mooie,
zwarte, dikke lijn die langs een lineaal getrokken werd. Daarna was er
het grote zwijgen waarin de mensen die voor de deuropening stonden
een pad voor hem maakten. Hij had nog even geaarzeld, nog even gehoopt,
dat er een afscheidswoord zou volgen, al werd hij daarin dan niet ge-
prezen. Hij wilde ook zelf nog iets zeggen maar kon het niet; de man
247
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's