Studentenalmanak 1967 - pagina 51
Daarmee zeg ik niet dat de waarde van de beginselen der rechtsweten-
schap werd verkort of gerelativeerd. Integendeel, door ons aan te manen
voorzichtig te zijn met het construeren van beginselen en het logische
willen afleiden van wat men zou kunnen noemen: sub-beginselen uit
hoofdbeginselen, werden wij teruggedrongen op dat wat werkelijk
beginsel mag heten.
Wanneer dan ook een leerling in jeugdige zelfverzekerdheid op het
voetspoor van de meester meende te gaan door scherpzinnige kritiek
te oefenen op Groen of Kuyper of ook op grootheden niet uit de eigen
kring, dan kon men de wind geducht van voren krijgen en horen dat
het geen pas gaf zo te spreken van mensen, die een leven lang geworsteld
hadden om inzicht, om het vinden van de juiste weg en wie de strijd
om het recht zo tot een tweede natuur geworden was. Dat men, wat er
in hun betoogtrant ook voor tegenstrijdigs en onvolmaakts was te vinden,
daarmede hetgeen zij op het oog hadden nog niet als van generlei waarde
opzij kon schuiven.
Ik dacht dat daarin iets zit, dat wij erg nodig hadden. De weg, die de
jonge Anema een ogenblik meende te zien, zou tot een desastreuze
verschraling hebben geleid. De faculteit zou eng-Kuyperiaans en
bekrompen-gereformeerd of anti-revolutionair geworden zijn, een leer-
school voor propagandisten en geen wetenschappelijke werkplaats.
Wanneer wij daarvoor zijn behoed - en dat heeft soms niet veel ge-
scheeld - dan is dat, menselijkerwijs gesproken, aan Anema en, die
moet ook genoemd worden, zijn levenslange collega Pieter Arie
Diepenhorst te danken geweest.
Door deze aanpak ontstond een ongedwongenheid, die geen discussie
afkapte en de horizon openliet. Wanneer in een latere periode Dooye-
weerd onbelemmerd heeft kunnen werken en zijn grote en heilzame
invloed heeft kunnen uitoefenen, zonder dat zulks mee hoefde te brengen
dat wij allemaal Dooyeweerdianen of anti-Dooyeweerdianen werden,
dan is dat mogelijk gemaakt door het klimaat dat Anema en Diepenhorst
geschapen hadden.
Hij was daartoe als mens in staat door zijn zelfstandigheid, door zijn
wetenschappelijke ernst, maar vooral ook door de breedte en diepte
van zijn gaven. Daarmede wil ik hem niet verafgoden. Hij had de gebreken
van zijn gaven - vooral de gebreken van de kunstenaar, lange perioden
van inactiviteit, van het wachten op inspiratie en een geprononceerde
neiging tot zelfbespiegeling, die soms veel op ijdelheid leek. De onaf-
hankelijkheid, die hij voor zichzelf vroeg, respecteerde hij ook in anderen.
En hij, die ons altijd vermaande toch bij de studie der bomen het bos
te blijven zien, heeft zich er altijd voor gehoed om in zijn kijk op het
bos, of dat nu de mensheid, de zaak of het beginsel heette, de bomen,
dat is de individuele mens, te veronachtzamen o f t e schofferen. Zo heeft
47
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's