Studentenalmanak 1967 - pagina 252
achter het bureau keek niet eens meer naar hem maar speelde met
gebogen hoofd met zijn inktstel, als was zijn aanwezigheid met het
schrappen van zijn naam vergeten. Hij moest maar gaan, ja, hij begreep
ook dat er geen sprake van gaan was omdat hij al niet meer bestond
voor hen en daarom sloop hij stil het vertrek uit: zij zouden zijn woorden
immers niet gehoord hebben.
Daar stond hij dan, zonder rechten maar ook zonder plichten en daarmee
voelde hij zich niet geheel gelukkig. De eerste dag had hij rond-
gezworven zonder een bepaalde richting te kiezen en hij was zuinig
geweest met het brood. De hele dag had hij gegeten van wat anders
één maaltijd was, toch stilde het zijn honger. Hij sliep in de luwte van
een kleine heuvel waar deze ook meer begroeid was dan elders. Die
nacht en ook de volgende dagen waarin hij honger leed waren vol
herinneringen.
Zoals hier was het ginds toen zij er voor het eerst kwamen, maar hij
was niet alleen geweest en een drinkwaterput was snel geslagen. Alles
was duizelingwekkend snel gegaan, de vrouwen kwamen en brachten
hun kinderen mee, de commissarissen en afgevaardigden kwamen in
opdracht van de leider alles organiseren. Zij waren de enigen die dachten,
overlegden, rapporten schreven en de berichten van elders lazen. Voor
de anderen was het voldoende dat zij konden werken en gezond waren.
Iemand die gezond en sterk was kon op grote gunsten rekenen, hij werd
geprezen en mocht vooraan zitten bij de maaltijden en de commissaris
bedienen. Dat leidde wel tot afgunst en jaloezie maar die was slechts
voelbaar; niemand liet iets merken.
De derde dag, toen hij steeds ernstiger gekweld werd door honger en
dorst, had hij een kadaver ontdekt waaraan zwermen kraaien zich tegoed
deden. Met moeite kon hij ze verjagen. Hij zag dat het dier er nog niet
lang kon liggen. De huid van het niet aangevreten gedeelte verwijderde
hij met een steensplinter, vervolgens sneed hij. de spieren los die hij
rauw at. Van wat overbleef nam hij mee zoveel hij kon, twee kleinere
stukken vlees had hij in een linnen doek gewikkeld en in zijn schoenen
gelegd die, omdat ze veel te ruim waren, nu ook beter liepen. Zo werd
het vlees mals terwijl hij vooruit ging. Nu had hij ook begrepen dat het
niet goed was zonder vast plan de woestenij te doorkruisen en hij hield
dus, zo goed en zo kwaad als dat ging, rekening met de zonnestand.
De volgende dag was, met het opkomen van de zon, de koorts in hem
wakker geworden. Hij voelde hoe zijn gezicht in één nacht ingevallen
was, zijn ogen stonden scherp en vurig achter het aambeeld van zijn
slapen waarop voortdurend geslagen werd. Di-da-donk, di-da-donk . . .
Zijn hele inwendige mechanisme kreunde bij het kloppen van de aderen
en het was alsof hij die dunne buizen in zijn slapen, hals en polsen voelde
slijten. Maar hij moest vooruit en hij wankelde als een krankzinnige
248
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's