Studentenalmanak 1967 - pagina 240
intellectualisme en positivisme. Anderzijds speelde ook de economisch-
maatschappelijke situatie een rol. Het bedrijfsleven had toentertijd nog
geen grote behoefte aan academisch geschoolde deskundigen; die behoefte
werd althans nog maar in geringe mate gevoeld. De samenleving droeg
nog een overwegend voor-industrieel karakter en daarmee was ook de
behoefte aan academici bepaald. Deze weerspiegelde zich in de verdeling
van de studenten over de verschillende faculteiten: in 1880 waren er
aan de drie rijksuniversiteiten en aan de Amsterdamse universiteit
ingeschreven 575 medische, 390 juridische, 187 theologische, 144 natuur-
filosofische en 88 literaire studenten; totaal derhalve 1384. Deze situatie
maakt het begrijpelijk, dat de universiteiten zich gemakkelijk als wereldjes
op zich zelf beschouwden en er weinig moeite mee hadden de buiten-
wereld buiten de deur te houden. Daarenboven had de universiteit er
weinig moeite mee het wetenschappelijk bedrijf in te richten en opgang te
houden. De faculteitenindeling was nog tamelijk ongecompliceerd. Wel
waren er in 1876 enkele nieuwe leerstoelen bij gekomen, maar de
specialisatie in de wetenschappen stond desniettemin nog maar in haar
kinderschoenen. De faculteitenindeling was nog gebaseerd op het
middeleeuwse systeem van het trivium en quadruvium, zodat de eenheid
en de samenhang der wetenschappen nog niet geheel en al tot een
problematische zaak was geworden. En dit alles bij elkaar genomen
maakt het ook begrijpelijk, dat er ten aanzien van de studie een nagenoeg
volmaakte vrijheid heerste.
Natuurlijk heeft de ontwikkeling sindsdien niet stil gestaan. Dat geldt
zowel ten aanzien van de wetenschap en de universiteit als van de maat-
schappij. Het aantal studenten nam regelmatig toe, maar de recrutering
bleef tot aan de laatste wereldoorlog goeddeels plaats vinden uit de
gegoede kringen der maatschappij, zij het ook dat er in dit opzicht reeds
een geringe mate van democratisering van het hoger onderwijs te be-
speuren viel. Tekenend is, dat relatief de sterkste toeneming plaats vond
in de dusgenaamde exacte wetenschappen: een teken des tijds. Voorts
begon de maatschappelijke ontwikkeling haar invloed te doen gelden op
de uitbouw van het hoger onderwijs. In de periode tussen 1876 en W.O. li
werden de landbouw- en de technische wetenschap verheven tot het
niveau van het hoger onderwijs, terwijl eveneens de economie daarin
een plaats kreeg, eerst in het kader van een hogeschool, naderhand - in
de jaren dertig - binnen de universiteit en nog wel in een eigen faculteit.
Dit was een ,,university extension" van grote importantie, niet alleen
omdat hiermee voor het eerst een nieuwe faculteit aan de uit de middel-
eeuwse universiteitsstructuur voortgekomen bestaande faculteiten werd
toegevoegd, maar ook omdat dit geschiedde als gevolg van een maat-
schappelijke ontwikkeling, die de behoefte aan een nieuwe categorie
academici in het leven riep. Het contact tussen universiteit en maat-
236
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's