Studentenalmanak 1967 - pagina 253
die zijn bewegingen niet meer beheerst. Voorwaarts, voorwaarts, altijd
maar vooruit terwijl het water van zijn gezicht stroomde, terwijl zijn
voeten onbegrijpelijke bewegingen maakten.
Di-da-donk, di-da-donk. . . Later overviel hem een verschrikkelijke
angst toen hij naar zijn handen en armen keek en zwarte vlekken zag.
Nu werd hij van binnen en van buiten langzaam verteerd en opgevreten.
Hij had zich direct uitgekleed om op zijn lichaam te zien hoever de
ziekte al was voortgeschreden; naar beneden zag hij zijn uitstekende
bekkenbeenderen waarin de maag lag als een ronde, opgeblazen bal,
daarboven sloten de ribben zich als een kerk in fraaie welvingen. Nee,
daar was nog niets aangetast; hij vreesde slechts voor zijn armen en
handen die zouden veranderen in klompen rottend vlees met vingers
als stijve en machteloze klauwen. Het woord ,,melaatse" schoot door
zijn gedachten en hij verbond het met ,,uitgestotene". Uitgestoten en
melaats, hij wist dat die twee bij elkaar horen van welke kant men het
ook bekijkt.
Er waren mensen naar hem komen kijken, ze hadden zich over hem heen
gebogen, zijn oogleden opgetild en ze waren weer verdwenen. Hij had
dit zeer duidelijk gezien omdat hij al een week in een grote helderheid
buiten de muren van een stad lag. Zijn heiderheid van geest was zo
groot dat hij niet alleen zijn onmiddellijke omgeving kon waarnemen,
maar de gesprekken kon horen van de wachters en de mensen die achter
de muren woonden. Als een zee van geluid drong de aanwezigheid van
de stad tot hem door. 's Nachts vloog hij om niet gezien te worden als
een zwarte vogel boven de stad, bij die tochten merkte hij op dat er
grote pleinen lagen temidden van de huizen waar men op marktdagen
(twee waren er geweest die week) opgewekte en drukke gesprekken
voerde. Ook waren er blauwe zwiebeltorens die de plaatsen van de
voornaamste gebouwen aangaven. Omdat hij voldoende uitgerust was
had hij besloten op te staan om de stad te voet binnen te gaan. Eerst
moest hij zijn zieke handen verbergen met de kledingstukken die hij bij
zich had. Niemand hield hem tegen toen hij de stad binnenwandelde;
men liep langs hem heen of zei, als men tegen hem aanbotste, ,,pardon",
zoals overal elders. Overtuigd als hij was van het feit dat de stad zijn
redding zou betekenen had het hem niet verbaasd. In een straat had
hij een bord gezien: ,,Naar de baden". Via een steeg was hij in een
grote ruimte gekomen, een soort hal, waarin hij bleef wachten om te
zien of er nog anderen zouden komen en waarheen ze zouden gaan.
Er kwam niemand zodat hij zelf de weg ging zoeken. De baden bleken
achter een zware houten deur te zijn: het was er tenminste warm en
vochtig en er hing een geur van kruiden. Een jonge vrouw riep naar hem
vanaf het einde van de gang. Zij bracht hem in een kamer waarin een
houten kuip stond die door planken was afgedekt. Hij keek om zich
249
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1967
Studentenalmanak | 344 Pagina's