Studentenalmanak 1969 - pagina 164
We springen de auto uit, weer appèl, een toespraak van de hoofdbewaker,
dat is altijd hetzelfde: dit is geen strafkamp maar een werkkamp, er moet
weer harder gewerkt worden, de rantsoenen zullen ingekrompen worden.
Ik denk aan mijn peuk, straks zal ik een rustig plekje opzoeken om hem
op te roken.
We sjokken langzaam naar de groeve, steen hakken, zandsteen, het
smerigste werk dat er is, je gaat heel langzaam dood van het stof, zegt
dokter 1403, de vent doet alsof hij in je longen kan kijken.
Het is warm vandaag, zelfs te heeft voor een huid. Naast me werkt de
jongen, er lopen schone strepen van zweet over zijn stoffige rug. Ik
begrijp niet, waarom ze dat kind niet afgekeurd hebben, hoe oud zou hij
zijn, hij heeft nog een jong lijf, de dokter kan trots op zijn liefje zijn.
De houwelen tikken op het steen, dat gaat de hele morgen zo door, één
uur eten, dan weer hakken. De bewakers zitten te kletsen, soms lachen ze,
ze maken ondertussen hun wapens schoon, onbegonnen werk met al dat
stof, maar ze krijgen tweemaal per dag wapeninspectie.
„Het was mijn peuk!"
Ik kijk even opzij en ik laat mijn houweel weer neerkomen op het steen.
Hij heeft een hoge stem.
„Het was mijn peuk!" Hij kijkt me aan met zijn rode ogen en zijn
baardschurft, het lijkt wel of hij wil gaan vechten met dat magere lijf.
De mannen komen om ons heen staan in een halve kring, ik gooi mijn
houweel neer, de bewakers zijn ook komen kijken. De dokter fluistert
wat in het oor van de jongen, en geeft hem een duwtje in de rug. Hij loopt
op me af met zijn houweel klaar om op mij in te hakken, ik sta half door
de knieën gezakt, de rug gebogen, dat kind zal me toch niet vermoorden
om een peuk, hij is waanzinnig.
„Mijn peuk," gilt hij, zijn houweel gaat omhoog, een schot, de kogel ketst
tegen het stenenkarretje, nog één, de jongen zakt ineen, hij is in zijn knie
getroffen. De bewakers slaan ons uit elkaar met de kolven, we werken weer.
De jongen nemen ze mee, ze zullen hem wel in de vrachtauto gooien.
Met die peuk zal ik maar wachten tot vanavond.
De peuk heb ik twee dagen geleden opgerookt, ik lig op mijn krib, een
eindje verder ligt de jongen, de dokter slaapt niet meer met hem n u hij
ziek is. Hij heeft koorts, soms worden we wakker door het gegil, hij heeft
vaak angstdromen. E r is hier geen kampdokter, 1403 heeft eergisteren o m
een medicijnkist gevraagd, met een schaar heeft hij de kogel uit de knie
van de jongen gehaald. Hij heeft de wond niet ontsmet, want de alcohol
uit de kist heeft hij opgezopen, een halve liter, hij lag stomdronken in de
hoek van de barak te zingen, vaderlandse liederen.
We gaan naar de jongen toe, mensen kunnen vaak mooie dingen zeggen
als ze ijlen. Hij praat maar over liefde en zo, de dokter noemt hij Charles,
hij roept ook de hele tijd Rosanne, soms zegt hij gedichten op, we lachen
allemaal. Behalve 1428, een man van een jaar of zestig, die staat maar te
grienen, zo mooi vindt hij h e t . Ons doet het niets meer, we zijn hier al lang.
162
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Studentenalmanak | 196 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Studentenalmanak | 196 Pagina's