Studentenalmanak 1969 - pagina 173
komen. Ja, ja. Mocht de slaap maar komen. Ik kan hier bloot op het balkon
liggen. Niemand, die je ziet.
5 UUR - Even op de gang gekeken. Alles was nog rust. Wel vreemde
geluiden. Plotseling het jongetje. En een opgedirkte man, engels geloof ik,
er achter aan, in één hand de Times, broek op de enkels. Mij schielijk uit de
voeten gemaakt. Even later wordt er geklopt. Of ik thee wilde drinken.
Ik beefde duidelijk zichtbaar. Hij heet Achib, of hoe schrijf je dat. Nee,
ik ben geen amerikaan. Money, money. Schor gelach.
O P E E N M O R G E N - Ik vertrouw de assistent niet. Hij heeft wat dotten
door de zalf gehaalde watten in de oogkas gepropt. Het stinkt gruwelijk
in het hospitaal. Bloed, poep en knoflook. Ik hoorde hier en daar
dreinerige muziek. Iemand met aambeien of zoiets zat kreunend op een
plee naast die waar ik stond te kotsen. De assistent weet niet hoe laat het
is en hij vraagt mij wat ik in dit boekje schrijf. Er staan allerlei vragen
in, zeg ik.
N A C H T - Er slaan hier geen torenklokken en mijn horloge staat stil.
V Ze vinden het hier niet vreemd, dat je bij je moeder woont (in dat verre
land). Een moeder, die van onze Heiland vertelt en af en toe piano speelt
voor haar 35-jarige, enige, ongetrouwde zoon. Ik wist niet dat er zulke
steden waren als deze. De assistent nam mij mee naar een kafé, waar we
weer thee dronken en nauwelijks geslachtsrijpe knapen zagen buikdansen.
De wereld, het vlees, te bereiken via een klein, houten trapje. De enige,
die loerde was ik.
Toen ik daarstraks in het hotel terugkwam, was het terras verlaten.
Alleen zaten twee bedelaars zwijgzaam gehurkt, vóór de stoelen op de
grond. Het jongetje Achib (of Aheb, weet ik veel) lag op de trap te slapen.
Ik heb mijzelf ogenblikkelijk bevuild.
Het heeft geen zin dingen op te schrijven. Toch verplicht angst mij ertoe.
Heb ik soms de illusie gekoesterd hier gelukkig te kunnen zijn?
Waarom juist hier? Ik ben een onduldbaar verschijnsel in deze nacht,
zonder enige luister. En mijn sarcasme laat mij blijkbaar in de steek.
G E E N D A T U M - In zee kreeg ik het weer bij het zien van een paar
golfomspoelde ruggen. Ben ik nu eigenlijk eenzaam? Vroeger als kind
voelde ik dat alleen-zijn in mijn lijf rondhijgen. Er waren vele spelletjes
en ieder moment kon je betrapt worden. Een prachtige ernst van verlangen.
Kmderen zijn niet heilig. Zij zijn alleen nog niet ziek. Op een gegeven
moment kreeg ik koorts. Hoe oud was je toen . . . dertien, veertien.
Een dwingend gevoel iemand nodig te hebben. De kamer wordt groter
en groter en je moet iets tillen, wat niet te tillen is. Vader was al lang dood
en moeder zei dat je niet mocht knoeien. Nee. Dat lieg ik. Vader is er
nog steeds en niets is zo ondankbaar als vader-zijn.
171
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Studentenalmanak | 196 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1969
Studentenalmanak | 196 Pagina's