Vrije Universiteitsblad 1954 - pagina 75
Periode van overgang
De Vrije Universiteit verkeert momenteel in een merkwaardige situatie. Zij maakt kennelijk een periode van overgang door. In zekeren zin kan men hetzelfde ten aanzien van elk tijdvak opmerken. Al het bestaande is nu eenmaal in wording. Maar er zijn sommige perioden, ten aanzien waarvan het bedoelde verschijnsel ons meer dan in gewone omstandigheden opvalt. En met zulk een periode hebben wij, dunkt mij, thans te maken. Allereerst denk ik dan aan de uitwendige gesteldheid van de Universiteit. Dat er in dat opzicht van een overgangsperiode gesproken mag worden, is meer dan duidelijk. In de laatste jaren hebben wij telkens weer te horen gekregen over de voorbereidingen met het oog op de nieuwe gebouwen, die eerlang zullen verrijzen. In verband daarmede werden talrijke besprekingen gevoerd. De bijzonderheden er van kunnen in dit verband gevoeglijk blijven rusten. Het is bekend, dat daarbij de totstandkoming van een academisch ziekenhuis voorop staat. Door dergelijke besprekingen, soms nog toegelicht met behulp van tekeningen, zijn wij met de te wachten toekomst enigermate vertrouwd geraakt. Het zich daarin verdiepen wekt uit den aard der zaak aangename gewaarwordingen. Toch is het duidelijk, dat de toekomst nog in het verschiet ligt. Wij hebben haar nog niet bereikt. Wij zijn in afwachting van de dingen die komen. Voorlopig moeten wij ons behelpen met wat aanwezig is. En dat aanwezige beantwoordt bij lange na niet aan het droombeeld, dat wij ons bezig zijn te vormen. De werkelijkheid is, dat de gebouwen waar onderwijs wordt gegeven, wijd door de stad verstrooid hggen, onderling soms op vrij groten afstand van elkander verwijderd. De werkelijkheid is, dat er een tekort aan ruimte bestaat, zowel wat het aantal der beschikbare lokalen als wat den omvang van meer dan één van die lokalen betreft. Wij zijn er langzamerhand uit gegroeid. Vooral het gemis van een eigen aula waarin de universitaire plechtigheden zich kunnen voltrekken, wordt gedurig weer levendig gevoeld. Zo zou ik kunnen voortgaan met het schetsen van de werkelijkheid. Maar ik mag hier wel afbreken. Het is reeds genoeg om te doen zien, dat de Universiteit op het ogenblik in een periode van overgang verkeert. Hetzelfde kan evenwel, als ik mij niet vergis, ook
nog in een anderen zin worden beweerd dan alleen ten opzichte van de uitwendige gesteldheid. Het geldt evenzeer ten aanzien van de houding, die bij de beoefening der wetenschap aangenomen wordt tegenover de aanhangige vraagstukken. Ik denk dan niet bepaald aan het feit dat er thans andere personen aan het werk zijn dan vijf en twintig of vijftig jaar geleden en dat er voortdurend nieuwe personen in den wetenschappelijken arbeid betrokken worden, ook op gebieden en in vakken die tevoren niet de opzettelijke aandacht hadden. Het spreekt vanzelf, dat ook dit feit niet nagelaten heeft invloed te oefenen en nog steeds blijft voortgaan invloed te oefenen. Maar daarnaast moet toch een ander verschijnsel in sterkere mate onze belangstelling hebben. Men stelt zich niet tevreden met algemene principiële uitspraken ten aanzien van moeilijke vraagstukken, die in de wetenschap aan de orde waren en zijn. Er is over dergelijke onderwerpen een open discussie ontstaan. Sommigen aarzelen niet daarover een mening ten beste te geven, die vroeger terstond tot het opperen van ernstige bedenkingen zou hebben geleid. Anderen komen weer aarzelend voor den dag en volstaan met het opwerpen van vragen, waarin toch min of meer de twijfel over het vroeger aanvaarde standpunt doorstraalt. Het is niet mijn bedoeling over dat verschijnsel bezorgdheid uit te spreken. Integendeel, ik geloof dat wij het met dankbaarheid mogen begroeten. Ik meen er iets in te zien wat wijst op een periode van overgang, die onze Universiteit bezig is door te maken. Wij zullen er op moeten letten. Want het spreekt vanzelf, dat hier ontegenzeggelijk een gevaar ons bedreigt. Een tijd vaü overgang kan ons wegvoeren van wat het eigene onzer Universiteit uitmaakt, van den schat die ons in de Gereformeerde beginselen werd toevertrouwd. Wij moeten dus waken en onze lampen brandende houden. Een tijd van overgang behoeft echter niet het gesignaleerde gevaar met zich mee te brengen. Het is even goed naogelijk, dat zulk een periode ons voert naar een schone en rijke toekomst. Houden wij er ons van doordrongen, dat dit slechts onder één beding het geval zal zijn. Trouw aan den aiouden grondslag van onze Universiteit, trouw aan de Gereformeerde belijdenis, is en blijft in elke periode onmisbaar. D. N. 2463
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1954
VU-Blad | 96 Pagina's