Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Vrije Universiteitsblad 1956 - pagina 41

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vrije Universiteitsblad 1956 - pagina 41

4 minuten leestijd

Vee] is daaraan niet toe te voegen, maar wilt ge enkele concrete voorbeelden dan wijzen wij op het unieke openluchttheater te Bloemendaal, het Cruquiusmuseum te Heemstede, het circuit en de watertoren van Zandvoort, het onvolprezen natuurreservaat „Nationaal Park De Kennemerduinen". Misschien denkt ge, dat een plaatselijk chauvinist de gelegenheid heeft aangegrepen om in Uw orgaan zijn haantje koning te doen kraaien. Vraag dan anderen, die Haarlem bezochten, er gezellig winkelden en dineerden, of er één woord teveel is geschreven.

Zelfs onze treinreiziger uit Amsterdam is bekeerd. Hij heeft er nu alleen nog plezier in om van een echte provinciestad in de schaduw van de reus te gewagen. Welnu de trots van Haarlem is, dat het provinciaal is gebleven en zal blijven ondanks de botsing der bouwwerken ergens bij Halfweg tussen het Amsterdamse — pak weg — miljoen en de twee tonners der Spaarnestad. W. van Willige Directeur van de Stichting „Haarlems Bloei".

Het oude Haarlem Wanneer U de plattegrond van Haarlem bekijkt, ziet U een lang gerekte bebouwing met omtrent het midden een breder gedeelte. Dit deel is de stad, zoals zij zich vertoonde na de grote uitbreiding uit het einde, van de zeventiende eeuw tot het begin van de t w n tigste eeuw toe. De aanwassen na 1900 mogen nog zo belangrijk zijn (Haarlem Noord b.v. telt J ; 60.000 iüwoners),-tot de eigenlijke oude vestingstad behoren zij niet, de echte oude Haarlemmer telt ze niet mee. De oorsprong dezer oude stad is te zoeken op de huidige Groote Markt, in het grijze verleden een veenplaat, waarop wat boeren en vissers woonden. Door gunstige Ugging bij het Spaarne, heirwegen in noordelijke en zuidelijke richting, beschermd tegen plunderende Kennemers en Westfriezen door de 's Gravensteen, een versterking bij Bakenes, alwaar de graaf een tol van de schepen op het Spaarne hief, ontwikkelde zich op deze veenplaat (het Sand) en omtrek een belangrijke en bloeiende handelsplaats (lakenhandel), scheepsbouw, linnen- «n garenblekerijen). Afzonderlijk mogen wel vermeld de brouwindustrie (begin 16e eeuw telde Haarlem ongeveer 100 bierbrouwerijen, thans niet één) en de boUenhandel. Nog steeds geldt Haarlem als het centrum van de bloembollencultuur en is de naam „bloemenstad" ten voUe op haar van toepassing. In haar economische geschiedenis vertoont Haarlem periodes van allerdiepste inzinkingen (b.v. 15e eeuw) en ontzaglijke bloei en welvaart. Vooral de achttiende eeuw drukte op de stad het stempel van rijkdom, zich uitende in tal van statige behuizingen en hoven; Haarlem was, ook reeds in de Gouden Eeuw, uitverkoren woonplaats van schilders, graveurs, glazeniers, rederijkers enz. Behalve rijk was

Haarlem „deftig", een begrip, dat behoort bij de invloedrijke regentengeslachten en wie zich daarmee gelijk achtten. Ook thans nog is deze deftigheid voor de Haarlemmer van de oude stempel een levend begrip. De herinneringen aan deze gouden tijden treffen iedere vreemdeling, die onze stad bezoekt. Wandelt hij eens rustig door de oude stad (dus niet per auto, motorrijwiel, bromfiets en wat dies meer zij) telkens zal zijn blik getrokken worden door een statig huis of sierlijke gevel, een fraaie toegangspoort, een merkwaardige gevelsteen met opschrift. Het hart van de stad, de Groote Markt, zou welhaast als openluchtmuseum beschouwd kunnen worden, ware het niet, dat het bedrijvige, allerminst geruisloze verkeer de museumrust verre hield. Desniettemin komen op dit schone, ruime plein de oude gebouwen ten volle tot hun recht. Als oudste zien wij het stadshuis, harmonische combinatie van middeleeuwse en zeventiende-eeuwse bouwtrant. Het oude gedeelte met de kantelen, in 1245 reeds aanwezig, was oorspronkelijk een jachthuis van graaf Willem I I , de Roomse koning. Prachtig is de oude ridderzaal met de koperen kronen, geheel gaaf de oude gevel in de Zijlstraat. Evenzeer kunnen wij genieten van de Vleeshal, gebouwd door Lieven de Key, schitterend voorbeeld der Vlaams-Hollandse renaissance. Aan de overkant op de hoek van de Smedestraat moeten wij even letten op de „Hoofdwacht", blijkens een rijmpje op het balkon eens „Haarlems Raadhuys". Vermoedelijk is dit een vergissing en kunnen wij aannemen dat het een woonhuis is geweest, in 1775 door de stad aangekocht om als hoofdwacht der Schutterij . dienst te doen, thans zetel der oudheidkundige ver2595

t

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

VU-Blad | 116 Pagina's

Vrije Universiteitsblad 1956 - pagina 41

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1956

VU-Blad | 116 Pagina's