Vrije Universiteitsblad 1957 - pagina 49
Zorg voor studenten Enige tijd geleden is er een belangrijk rapport verschenen. Ik bedoel het „Rapport van de adviescommissie voor te trelFen voorzieumgen ten behoeve van studenten". Deze commissie was door de Minister van Qnderwijs, Kunsten en Wetenschappen bij beschikking van 12 Augustus 1953 ingesteld. Zij heeft zich, wanneer men in aanmerking neemt de omvang van haar werkzaamheden, in een vrij snel tempo van haar taak gekweten. Met de bijlagen mee telt het rapppft niet minder dan 270 bladzijden. Het spreekt vanzeli, dat dit rapport in academische kringen grote belangstelling ontmoet. Ook aan de \rije Lniversiteit houden verschillende instanties er zich mee bezig. Maar er bestaat ook alle aanleiding in een blad als het onze voor de daarin besproken onderwerpen aandacht te vragen, al zal dit niét; voor alle in even sterke mate nodig en mogelijk zijn. Het zal natuurlijk niet doenlijk zijn in een beknopt artikel op allerlei bijzonderheden in te gaan of zelts maar alle hoofdzaken te vermelden. Ik moet oiijzplf de giüots'te beperking opleggen. Toch wil ik pogen het buitengewone belang yau deze aaugeLegenheid dujdelijk te iji^ken. liet rapport gaat er van uit, dat de Overheid in de tegenwoordige tijd iets moet doen ten behoeve van studenten. Verschillende omstandigheden, welke ik thans niet ga analyseren, kunnen ten gunste van dat standpunt worden aangewend. Maar het is goed, dat er daarnaast nadruk op wordt gelegd, dat het een ernistige misvatting is, wanneer ouders menen voor de studie van hun zoon of dochter geldelijke steun van de overheid te mogen eisen. „In geen geval — zo lezen wij m het rapport — mag in de Staat het middel worden gezien om te studeren en te leven op kosten van anderen". Zo worden er nog meer voorbehouden gemaakt. ]Siettemin valt het niet te ontkennen, dat allerlei overwegingen pleiten voor het trefi'en van bepaalde voorzieningen ten behoeye van studenten. Voorzieningen die tot strekking hebben de voorwaarden te scheppen, dat de student niet door factoren buiten zijn wil belemmerd wordt zich tot academicus in de ware zin des woords te ontwikkelep. De commissie heeft daarbij enkele algemene richtlijnen vastgesteld en aanvaard, die niet anders dan instemming verdienen. Als zodanig noem ik, dat men moet vasthouden aan de verantwoordelijkheid der ouders met betrekking tot de opvoeding van hun kinderen, welke onder meer omvat de bereidheid tot het brengen van financiële ofifers voor de Universitaire studie; dat financiële omstandigheden geen belemmering mogen vormen voor de studie van studen-
ten, die getoond hebben de vereiste bekwaamheid voor universitaire studie te bezitten; dat een Universiteit er zich van bewust behoort te zijn, dat zij de medeverantwoordelijkheid draagt voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van haar leerlingen; dat gewaakt dient te worden tegen te ver gaande bemoeiingen van de Overheid met het studentenleven en juist het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de student zoveel mogelijk moet worden gestimuleerd. Wanneer wij nagaan wat voor voorzieningen door de commissie m baar rapport aanbevolen worden, mogen wij daarvan, naar mijn mening, in het algemeen met bijzondere waardering kennis nemen. Hetgeen gezegd wordt over gezondheidszorg, over voeding, over huisvesting, over lichamelijke opvoeding en sport, over een bureau studentenbelangen, over voorlichting en over nog meer, verdient behartiging en, voor zover er reeds naar gehandeld wordt, verdere navolging. Juist in dit opzicht ontbreekt mij de ruimte om in nadere bijzonderheden te treden. Ik wii slechts opmerken, dat de praktijk reeds bezig is zich in de hier voorgestane richting te ontwikkelen. Ook aan onze Universiteit is er al heel wat gaande op het gebied van de gezondheidszorg, van de sportbeoefening, van de zorg voor studentenbelangen, iets waarvan in de jaren van mijn eigen studietijd schijn noch schaduw viel te bespeuren. Wij moesten toen maar zien onszelf te redden. Soms heb ik een neiging jaloers te worden op de huidige studentenmaatschappij. In het rapport wordt onderscheid gemaakt tussen het verlenen van directe en van indirecte steun. Directe steun is bedoeld voor individuele studenten en is gewoonlijk van financiële aard. Bij indirecte steun wordt gedacht aan voorzieningen, waarvan alle of althans zeer vele studenten gebruik kunnen maken. Deze hebben vooral een sociaal en educatief karakter; men beoogt daarmede de voorwaarden te scheppen, waardoor een harmonische ontplooiing van de student tot volwaardig academicus mogelijk wordt gemaakt. De commissie meent de voorkeur te moeten geven aan het verlenen van directe steun en wel op grond hiervan, dat het op die manier mogelijk i? met al de persoonlijke omstandigheden en behoeften van de student, aan wie financiële hulp wordt geboden, rekening te houden. Tevens mag men verwachten, dat die methode er toe zal bijdragen het verantwoordelijkheidsbesef te bevorderen. Bij het verlenen van indirecte steun pleit de commissie voor het in acht nemen van grote reserve. Zij acht namelijk het gevaar niet denkbeeldig, dat studenten, die niet in aanmerking komen voor het ontvangen van individuele steun, dank zij dergelijke algemene voor2673
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
VU-Blad | 160 Pagina's