Vrije Universiteitsblad 1957 - pagina 115
De toekomst van de Vrije Universiteit Er is in de laatste tijd veel te doen geweest over de problemen van het Hoger Onderwijs en nog steeds is de discussie over de taak en de plaats van de Universiteit aan de orde. Dit is maar al te begrijpelijk. Sinds enkele tientallen jaren is zich in onze maatschappij een verschuiving aan het voltrekken, waarvan de diepgang door ons, als tijdgenoten, zelfs niet gissenderwijs kan worden gepeild, maar waarvan achteraf waarschijnlijk zal blijken, dat zij een radicale wijziging heeft gebracht in de geestelijke en sociale structuur van de Westerse samenleving. Deze algemene beweging, door de 2e Wereldoorlog en zijn nasleep nog enorm versneld, houdt niet halt voor de poorten der Universiteit. Integendeel, deze staat er midden in en is er aan alle kanten, actief en passief, bij betrokken. Prof. Nauta heeft in het vorig nummer van ons blad gewezen op één van de vele vraagstukken, die zich in dit verband opdringen: de sociale voorzieningen ten behoeve der studenten, die een aandacht eisen als nooit tevoren en reeds tot allerlei ingrijpende vernieuwingen hebben geleid. De tijd is immers voorgoed voorbij, dat de Universiteit zich kon beperken tot de wetenschappelijke opleiding van haar leerlingen. Men verwacht thans, dat zij ook zorg zal dragen voor hun geestelijk en zelfs voor hun lichamelijk welzijn en de vorming van hun persoonlijkheid in de ruimste zin ter harte zal nemen. Intussen zijn er nog een hele reeks andere moeilijkheden, die in de naaste toekomst gaan nijpen. Daar is, om maar iets te noemen, de snelle toeneming van het aantal studenten, met alle gevolgen van dien. De bevolkingsaanwas en de welvaartsvermeerdering aan de ene kant, de stijgende behoefte van de moderne maatschappij aan academisch gevormden anderzijds, hebben de statistici tot de conclusie gebracht, dat binnen afzienbare termijn de bevolking der Universiteiten en hogescholen zich zal verdubbelen. Dit feit op zichzelf al roept een aantal schier onoplosbare problemen op. Het ruimtevraagstuk is er maar één van en misschien nog niet eens het ernstigste, want hier liggen de zwarigheden ten slotte vooral in de financiële sector. Ik wil die niet onderschatten, maar zolang er geld is voor gebouwen als de moderne bankpaleizen, zal er ook voor de wetenschap nog wel iets overschieten. Van minder materiële aard zijn andere moeilijkheden, die eveneens met de verwachte toeloop van studenten onmiddellijk samenhangen.
Waar zal men voldoende docenten vandaan halen, voldoende in aantal en bekwaamheid, om deze aanwas op te vangen? Zal niet ongewild maar onvermijdelijk het peil van het onderwijs gaan zakken? Hoe kan worden voorkomen, dat bij zulke grote hoeveelheden leerlingen de Universiteit een massabedrijf wordt, dat zich moet gaan instellen op de aflevering van een uniform product? Zal niet, meer dan tot nu toe reeds het geval was, een aantal ongeschikten zich aanmelden? En als men door strengere selectie bij de toelating het kwantum mislukkingen wü beperken, hoe zal deze selectie dan moeten worden ingericht? Voor deze en dergelijke vragen staan op het ogenblik alle Nederlandse Universiteiten. Ook dus de V.U. Maar gezien haar bijzondere positie krijgen ze voor haar een apart karakter. Zo zal, als eenmaal het nieuwe gebouw er staat, het ruimteprobleem haar minder zorgen baren dan aan de zusterinstellingen. Maar hoe zit het voor de V.U. b.v. met de vergrote toeloop van studenten? Tot nu toe is het aantal steeds, en in de laatste jaren zelfs zeer snel, gewassen. Maar zij trekt haar leerlingen in hoofdzaak uit een bepaalde groep van de bevolking. Er zijn gegevens die er op wijzen, dat deze groep wel absoluut toeneemt, maar relatief, in vergelijking met de totale bevolking, langzaam achteruitgaat'. Zal dit op den duur geen terugslag veroorzaken? In dit verband is het van het grootste belang of de V.U. er in zal slagen, meer dan tot nog toe, ingang en steun te vinden bij degenen, die uit confessionele overwegingen achter haar moesten staan. Een andere vraag, die haar toekomstige ontwikkeling raakt, is die naar wat ik zou willen noemen het „verzadigingspunt" van het milieu, waaruit haar studenten afkomstig zijn. Vroeger waren er maar weinig onder de „kleine luiden", die hun kinderen konden laten studeren. Tegenwoordig zijn hèt er zeer veel meer. Maar ergens ligt de grens. Is het verzadigingspunt al in zicht of is het nog lang niet bereikt? Voorts spreekt voor de V.U. ook een aparte rol de kwestie van het „personeel". Nu reeds komt het voor, dat voor bepaalde leerstoelen nauwelijks docenten te vinden zijn, die èn wetenschappelijk èn principieel volkomen aanvaardbaar zijn. Hoe zal dat bij verdere uitgroei gaan? Ik zou het aantal vragen gemakkelijk nog met vele kunnen vermeerderen en zij zouden voor een groot deel even moeilijk te beantwoorden zijn als de bovengenoemde. vervolg pag. 2698
2691
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
VU-Blad | 160 Pagina's