Vrije Universiteitsblad 1957 - pagina 17
Heel erg vind ik ook de brave kankeraar, die thuis een grote mond opzet en in Amsterdam zich met het studentenleven niet bemoeit, maar op zijn eentje of met een vriendje vertier zoekt. Ik vind het dan ook zo jammer, dat voor deze dingen dikwijls zo weinig inzicht is bij onze mensen. Gevaar Enige tijd geleden sprak ik een moeder van een student. Ik kende die student niet, maar zij zei me dat haar „jongen" zich zo veel mogelijk onthield van de gemeenschap met studenten. Dat kost maar geld „en", zei zij, „hij gaat 's-avonds in zijn eentje maar een beetje door de stad wandelen". Als ik zo iets hoor, schrik ik altijd. Na onderzoek bleek mij, dat deze moeder, die zo tevreden ,over haar zoon sprak, zeer veel reden tot verdriet gehad zou hebben, als zij wist hoe die jongen leefde. Maar juist zulke figuren onttrekken zich aan het toezicht. Men kan in een wereldstad als Amsterdam iemand, die op zijn eentje gaat leven, onmogelijk onder controle houden. Natuurlijk bedoel ik hiermee ook weer niet te zeggen, dat nu alle jonge mensen, die eenzaam leven, zedelijk verkeerd leven. Maar verkeerd is het wel om zich te onttrekken aan het studentenleven. Want alle ouders moeten, evengoed als alle studenten, bedenken dat de persoonlijkheidsvorming in de studententijd voor een goed deel gevonden moet worden in de gemeenschap met de andere studenten en dan speciaal in het georganiseerde studentenleven. De zogenaamde nihilist, dat is de student, die van geen enkele organisatie lid is, vergooit een prachtige kans om in zijn of haar studententijd een persoonlijk-; heidsvorming te ontvangen, die een rijkdom voor het hele leven betekent. Eigen karakter En verder? Wel, mag ik dit artikel eindigen met een aanhaling uit een meer dan dertig jaar oude rede van de toenmalige rector van het studentencorps G. Zeyl, thans Ds. Zeyl te Baarn. Hij sprak in zijn jaarverslag de studenten als volgt toe:
,,Wij studenten zijn zelf afkomstig uit het gereformeerde volk en behoren daartoe volkomen. Toch vormen wij in het gereformeerde leven tegelijk een eigen kring met een absoluut eigen karakter. Dit laatste zal slechts worden toegestemd door wie zelf student is geweest; de mentaliteit van het studentenleven kan aan wie dat leven zelf niet ten volle heeft meegeleefd, i.e. het grootste deel van het volk, nooit „restlos" begrijpelijk gemaakt worden. Vat men deze twee dingen tegelijkertijd met klare blik samen, dan moet blijken, dat er altijd dingen zullen zijn, interne Corpsaangelegenheden, waarover de mensen van buiten af geen oordeel zullen mogen vellen. Dit betekent geen volslagen isolement tussen Corps en Maatschappij. Maar dat betekent wel dit: dat het dilemma niet mag worden gesteld: of wij, 't gereformeerde volk, zullen ü , studenten, met rust laten, maar dan moet gij U ook niet vermeten tot een kunnen meepraten over wat in de Maatschappij gebeurt. Nee, wij behoren tot het volk, — wij groeien daaruit op en zijn er door levende banden mee verbonden, — maar we bezitten iets speciaals bovendien, een eigen nuancering. Daarom is het veeleer zó: zal er sprake van zijn, .dat één der beide partijen over de andere kan meepraten en haar kan beoordelen, dan zijn het eer de studenten, die over de dingen des volks iets mee kunnen zeggen, — dan omgekeerd. Maar dan zal ook — vanwege die levensbanden! al wat de student opmerkt over of tot het volk óók gaan over en tot die student zelf; is zijn woord b.v. critisch, dan bevat het allereerst zeZ/critiek. En het criterium zal moeten wegen (want we wensen toch bewust gereformeerd te wezen) uitsluitend en alleen het Woord van God. Laten we geen moment uit het oog verliezen het schelle licht, dat dit woord — het Woord van het Eeuwige, de Heer van ons leven — onophoudelijk werpt op heel ons interne Corpsleven en op al onze daden naar bviiten. Wie dat licht niet ziet is de naam van gereformeerd student niet waard".
W/e is de afzender ? Op 24 Januari kwam bij het Bureau binnen — vermoedelijk persoonlijk bezorgd — een enveloppe met als inhoud een bedrag van ƒ 85.15. Er was geen begeleidend briefje bij en ook op de enveloppe (bedrukte antwoord omslag) ontbrak elke aanwijzing omtrent de afzender. Het ligt voor de hand dat dit moeilijkheden geeft. Is het geld van een hoofd Vrouwen V.U. Hulp? Is het
van een correspondent? Of van . . ., er zijn zoveel mogelijkheden. In elk geval is de kans groot, dat de onbekende afzender straks een vriendelijke herinnering ontvangt om het geld te sturen dat hij of zij al ter plaatse deponeerde. Tenzij, en daar hopen we nu maar op, die afzender zich nu bij het Bureau meldt.
2641
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1957
VU-Blad | 160 Pagina's