Vrije Universiteitsblad 1962 - pagina 179
nieu^ve studierichtirij IN TEKEK V A N HULP A A N NIET-WESTERSE LANDEN
ingang van het studie1962—1963 is aan M etjaar de Vrije Universiteit de studierichting niet-westerse sociologie ingesteld. Bij de overdracht van het rectoraat merkte professor Smitskamp over deze nieuwe studie op: „Zij is mede een vrucht van een opzettelijke toezinning op de vraag, wat de universiteit kan doen voor de ontwikkelingsgebieden.... Het inzicht blijkt veld te winnen, dat het weliswaar voor de vorming van een inheems kader nuttig is jongelui uit deze landen de gelegenheid te geven tot studie aan europese universiteiten, maar dat een doelmatiger en sneller methode van hulpverlening bestaat van westerse jonge mannen en vrouwen, die de gedekoloniseerde volken eventueel ter plaatse van dienst kunnen zijn, doordat hun studie hen in aanraking bracht met de aspecten van de ontwikkeling der nietwesterse samenleving". De instelling van de nieuwe studierichting staat dus vooral in het teken van de hulp aan de niet-westerse landen. Deze niet-westerse landen behoren met uitzondering van Japan alle tot de zg. ontwikkelingsgebieden, onderontwikkelde gebieden of ook wel arme landen. Het vraagstuk van de hulp aan deze landen vormt een van de grote wereldproblemen van deze tijd.
Dit vraagstuk komt aan de ene kant voort uit een toenemend verlangen van de niet-westerse volken om verlost te worden van een armoede, die miljoenen op de rand van een bestaansminimum doet leven en om deel te krijgen aan de welvaart, waarin het westen zich mag verheugen. Sommige schrijvers wijzen op het feit, dat de armoede in deze landen een oud verschijnsel is, maar dat de bewustwording van deze armoede en de overtuiging dat zij kan worden opgeheven, nieuw is. Dit is gedeeltelijk wel juist, maar in sommige landen is de armoede sinds de nauwe aanraking met het westen nog toegenomen. HULP NODIG
Het vraagstuk van de hulp aan de arme landen wordt aan de andere kant ook bepaald door het toenemende besef in de westerse landen, dat de arme landen geholpen moeten worden. De niet-westerse landen kunnen niet alleen het probleem van de armoede oplossen. In de westerse landen zelf is er een bewuste regeling van de welvaart gekomen, zodanig dat alle inwoners van deze landen een redelijk aandeel krijgen in de (stijgende) welvaart. Dit idee van een redelijke verdeling van de welvaart komt ook naar voren met betrekking tot de wereldsamenleving. Bij de toenemende éénwording van de wereld worden deze niet-westerse, arme, volken steeds duidelijker de naasten van de westerse, rijke, volken. En het wordt daarmee steeds duidelijker, dat de westerse landen naar vermogen moeten helpen de vraagstukken van armoede en minder ontwikkeling op te lossen. NIET ALLEEN GELD
Nu is het niet zo dat deze problemen opgelost zouden worden door het geven van grote sommen gelds zonder meer. Uiteraard is er geld nodig, zeer veel geld ook, maar wat vooral ook nodig is, is te weten op welke wijze men in een bepaald land een grotere welvaart kan bereiken, welke belemmeringen er bestaan en op welke wijze die opgelost kunnen worden. Belangrijk is daarbij natuurlijk in de eerste plaats te weten welke economische mogelijkheden een land 3
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1962
VU-Blad | 193 Pagina's